Het was een nacht om nooit te vergeten, een nacht om ontembare krachten los te laten. Een volle maan, rukwinden die een wild jachtspel met de wolken speelden, regenvlagen, in de verte weerlicht en donder. Vurian stond midden in het pentagram dat hij op de vloer van zijn werkkamer had gekrijt en luisterde tevreden naar het natuurgeweld buiten. Geen beter moment om de laatste proef voor zijn grote werk uit te voeren. Als hij zijn kracht in zilver kon overbrengen, zou het staal van een zwaard geen probleem meer zijn.

Het ogenblik kwam. Bijna had Vurian het gemist, zo aandachtig luisterde hij naar de storm. Hij nam het zilverstuk in zijn handen, richtte zijn kracht en sprak de woorden uit.

De bliksem gehoorzaamde.

De volgende ochtend ruimde Vurians knecht hoofdschuddend de verkoolde troep op. Hij stond er geen ogenblik bij stil waar zijn meester zou kunnen zijn; die ging wel vaker uit in een storm en kwam soms na dagen pas terug. Wel stak hij de zilveren ruiter in zijn zak die hij tussen de rommel vond. Vurian zou het geldstuk vast niet missen.

Meester Vurian bleef deze keer langer weg dan gewoonlijk. De knecht wachtte op hem tot de eerstvolgende jaarmarkt, pakte zijn kleren in en nam uit de geldkist wat hem toekwam. Toen ging hij terug naar zijn geboortedorp. Tenminste, hij ging op weg; onderweg stak een struikrover hem in de rug, beroofde hem en liet hem stervend achter.

Liadan had goede zaken gedaan. Zijn beurs was voller dan hij sinds tijden geweest was en zijn handen waren redelijk schoon. Die laatste, dat was wel een beetje slordig, maar ja, de man was jong en sterk geweest en hij kon geen risico nemen. Het hoorde nu eenmaal bij het vak.

Hij kon het niet laten zijn buit te tellen. Zeven, acht zilveren ruiters, een zelfs nog met de beeltenis van de vorige koning. Een handvol zilveren stuivertjes, wat kopergeld. Hij zou een hele tijd geen honger hoeven lijden.

Hij merkte pas dat hij gevolgd was toen een grote hand hem in de rug greep. "Zo, eindelijk hebben we je. Probeer maar niet te ontsnappen, want dat maakt je leven alleen maar n�g korter".

De burggravin maakte weinig woorden aan hem vuil. "Hangen. En geef het geld maar aan de armen."

Ran en Ailse hadden nog nooit een heel zilverstuk gehad. In al haar twaalf jaar had Ailse misschien bij elkaar tien stuivers bezeten, en nooit meer dan een halve tegelijk. Ze voelde zich rijk. Wat kon ze daar niet allemaal voor kopen: warme kleren voor haar en haar broertje, misschien een deken, eindelijk genoeg te eten...

Eerst maar naar de markt. Nee, eerst wisselen, want op de markt waren het allemaal net zulke mensen als zij, die zouden van een zilveren ruiter vast niet terug hebben.

Ailse kende wel een geldwisselaar, een verweerd mannetje in de Wijnkopersstraat. Ze was voor hem gewaarschuwd. Voor ze naar zijn winkel ging zorgde ze dat ze precies wist wat een zilveren ruiter waard was: twintig stuivers, en elke stuiver weer acht duiten. Hij zou natuurlijk zijn loon moeten rekenen, maar meer dan twee duiten kreeg hij van Ailse niet.

Ze nam Ran bij de hand en stapte de winkel binnen. Het was er donker en het rook naar een mengsel van metaal en kruiden, want de wisselaar was ook apotheker. Hij kwam achter zijn toonbank vandaan en wreef in zijn handen. "Goedendag jongedame, jongeheer. Waarmee kan ik u van dienst zijn?"

Ailse liet hem het zilverstuk nog niet zien, maar vroeg of hij het kon wisselen.

"Vanzelfsprekend, tegen de gebruikelijke koers." Ailse begreep zijn grote woorden niet helemaal, maar ze wist waar hij heen wilde. "Hoeveel krijg ik ervoor?"

"Twaalf stuivers minus provisie."

Daar trapte Ailse niet in. "Twintig. En dan geef ik u twee duiten voor het wisselen."

Hij verdween achter de toonbank. Om het geld te halen, dacht Ailse, maar wat te voorschijn kwam was een vervaarlijk mes. "Twaalf," zei de wisselaar.

"Twintig," zei Ailse. Toen zei ze niets meer.

Perain had het moeilijk. Eerst moest hij het meisje laten verdwijnen - natuurlijk nadat hij het zilverstuk uit haar zak had gehaald; verder bezat ze niets - en nu moest hij ook nog het jongetje te pakken zien te krijgen. Hij wist niet of het kind werkelijk achterlijk was of alleen maar verlegen; het was er in ieder geval meteen vandoor gegaan. Perain kon zich niet veroorloven verraden te worden. Hij vroeg zich af wat hem had bezield. Het was beslist niet zijn gewoonte een kind te doden voor een zilverstuk, al was hij niet altijd zo eerlijk als hij zich voordeed. Het meisje had iets in hem losgemaakt, een duistere drift die hij al jaren niet meer gevoeld had.

Hij sloeg zijn mantel om en stak het mes in zijn gordel. Terwijl hij de deur op slot deed hoorde hij stemmen aan het eind van de straat. Het was de wacht, en ze hadden de kleine jongen bij zich.

De hoofdman van de wacht telde twintig glanzende stuivers uit en gaf ze aan Ran. "Je zusje kan ik je niet teruggeven," zei hij, "maar als je wilt werken kom je maar bij mij. Ik kan wel een knechtje gebruiken."

Hij streek de jongen door het haar en volgde zijn soldaten, die de wisselaar naar het wachthuis brachten. In het voorbijgaan raapte hij gedachteloos de zilveren ruiter op die op de toonbank lag.

Toen Ran zich de volgende dag bij het huis van de hoofdman meldde, waren de luiken dicht. De hoofdman was 's morgens dood in zijn bed gevonden. Zijn hart had het begeven.

Cynla was lang niet jong meer, maar er was niemand om haar werk over te nemen. Soms werd het haar te zwaar. De hoofdman van de wacht was een grote gespierde man en ze moest hem helemaal alleen naar de grafkamer dragen: het was haar eer te na om een ongewijde te vragen haar te helpen. Dat ze er een zilveren ruiter voor kreeg maakte de pijn in haar rug niet goed. Ze stopte het zilverstuk mopperend bij haar tempelschat - een weidse naam voor een kistje met een paar dozijn munten - en begon een drankje te maken dat de pijn wat zou verlichten.

Misschien keek ze niet goed uit bij het mengen van de kruiden, of misschien wist haar geest iets dat ze zelf niet wist. Wat ze dronk was geen onschuldige pijnstiller, maar een dodelijk vergif.

Tal-Vauryn was een slaperig dorpje met maar één bezienswaardigheid: het tovenaarshuis. Niemand durfde er 's nachts naar binnen en alleen de allerdappersten overdag. Meer dan vijfhonderd jaar had het huis ongestoord kunnen vervallen: nu was het een ruïne. Er werd van verteld dat een tovenaar daar lang geleden, toen er nog koningen waren, een vreselijke vloek had uitgesproken en daarna spoorloos was verdwenen. Misschien waarde zijn geest nog rond, misschien werkte de vloek nog altijd.

De jonge priesteres van Naigha die naar Tal-Vauryn kwam om de dorpelingen op de wereld te helpen, lezen en schrijven te leren, te genezen en te begraven, lachte om zoveel bijgeloof. Ze geloofde niet in spoken. Dat er duistere machten bestonden wilde ze toegeven, maar dat een tovenaar na honderden jaren nog rond zou waren was ronduit belachelijk. Ze bouwde haar huis op de ruïne. De munt die ze onder de drempel begroef kwam uit een kistje dat al sinds mensenheugenis in de Tempel stond. Het was een zilveren ruiter van koning Meruvin de Eerste, lang niet zo versleten als je van zo'n oude munt zou verwachten; waarschijnlijk had hij al die honderden jaren in het kistje gezeten.

Het hele dorp stond erbij te kijken toen de priesteres en haar helpers de laatste hand aan het huis legden. Zou het instorten en haar bedelven? Zou de tovenaar terugkomen en wraak nemen? Niets van dat alles gebeurde. Het leven in Tal-Vauryn ging door.

Vurian maakte zich los uit de nevel waar hij een onafzienbare tijd had doorgebracht. Zijn lichaam was nergens te vinden. Hij herinnerde zich dat hij het had moeten achterlaten, omdat het onbewoonbaar was. Toen hij terugkwam op de plaats waar hij vandaan was gekomen, herkende hij bijna niets. Toch voelde hij een kracht die hem onweerstaanbaar aantrok. Wat had hij te verliezen? Hij ging op onderzoek uit.

De priesteres van Naigha moest haar mening herzien. Het duurde even voor ze in de gaten had hoe het precies zat met Vurian en hoe het mogelijk was dat zij de vloek had verbroken; maar de geest van Vurian was geen slecht spook om mee te leven, en hij wist veel dat sinds zijn tijd verloren was gegaan. Langzamerhand kwam ze bekend te staan als een wijze vrouw.

Niet dat ze ooit losliet waar ze haar wijsheid vandaan had, natuurlijk. Niemand zou haar immers geloven.

[an error occurred while processing this directive]