De dag van de verandering

Erne van Sarabal stierf in het kraambed op de eerste dag van het jaar, het feest van Timoine. Riei was bijna zes. Ze werd overal buiten gehouden. Ze zat op de trap naast de deur van haar moeders kamer terwijl er allerlei mensen in en uit gingen die deden alsof ze haar niet zagen. Tegen de avond voelde Riei de wereld veranderen.

Er was ook ineens een schreeuwend schepseltje dat een broertje moest voorstellen. Riei wist wel beter: Rava van de smid had immers een broertje, en dat was een grappig kereltje dat de hele dag achter haar aan liep en onverstaanbare dingen brabbelde. Zo'n broertje had Riei ook wel willen hebben; en nog liever had ze haar moeder gehouden.

Later kwamen de priesteressen, twee vrouwen zo zwart als kraaien die het lichaam meenamen waar Erne niet meer in woonde. Riei was bang voor ze en droomde 's nachts dat ze haar ook kwamen begraven, diep onder de grond in een donkere kelder. Ze schrok wakker en ging in de vensterbank zitten in het licht van de nog bijna volle maan. 's Morgens zat ze er nog steeds. Ze protesteerde niet eens toen Lyse haar in bad stopte en aankleedde alsof ze dat zelf niet kon.

De dag van Naigha

De grafkelder van het geslacht van Sarabal was uitgehouwen in de rots onder het kasteel. Generaties burggraven en burggravinnen waren daar begraven, samen met hun vrouwen en mannen, hun kinderen en broers en zusters, te beginnen met Ranaise en Zayin en eindigend met de grootmoeder die Riei zich nog herinnerde van toen ze heel klein was.

Haar vader nam haar mee naar de ingang. Verder mocht hij niet. Riei was de enige bloedverwant; ze moest alleen de donkere gang in.

De priesteressen waren er al, magere Aylith die bijna familie was en een jonge mollige die Riei de vorige dag had gezien, maar nog nooit eerder. Ze hadden het lichaam van Erne bij zich dat ze in een mantel gewikkeld hadden alsof Erne het nog koud kon krijgen. Zie je dan niet dat het niet nodig is, dacht Riei, maar Aylith en de mollige hoorden haar niet en haar moeder die altijd naar haar had geluisterd was er niet bij.

In de kelder rook het naar vocht en spinnen en verbrande kruiden. Riei kreeg een schaaltje in haar handen waar iets op lag te smeulen. Ze werd licht in haar hoofd van de geur en probeerde haar adem in te houden, maar daar werd ze ook duizelig van. De priesteressen deden van alles dat ze niet begreep, terwijl ze er half bij stond te dromen. Aylith moest haar tenslotte naar buiten dragen.

Nu was Erne er helemaal niet meer, zelfs niets dat aan haar herinnerde.

De dag van Mizran

In Tal-Ryth was jaarmarkt, drie dagen lang, maar ze gingen er niet heen. Riei zou er toch niet van genoten hebben, zelfs niet van de man waar Rava zo enthousiast over vertelde, die met messen kon jongleren. Ze bekeek de vijf stuivers die ze bewaard had om een gevlochten gordel voor haar moeder te kopen en knoopte ze weer in het lapje. Ze huilde niet, nog steeds niet. Achter in haar keel zat een harde klomp tranen die er maar niet uit wilde.

Ze ging op blote voeten de trap af en naar buiten, de binnenplaats op waar de priesteres Aylith, deze keer in haar gewone grijze gewaad, met haar vader stond te praten. Het ging over Valdis en over geld, en ineens spitste Riei haar oren omdat ze haar eigen naam hoorde: "... haar morgen meenemen ... twaalf ruiters ..." Ze durfde niet dichterbij te komen om meer te horen, maar het was duidelijk genoeg. Haar vader wilde haar aan de priesteres verkopen. Er verdwenen wel vaker meisjes naar de Tempel van Naigha in Valdis, die jaren later weer terugkwamen met grijze kleren aan. Misschien was de mollige priesteres ook wel voor twaalf ruiters verkocht.

Riei rende naar boven en liet zich pas weer zien toen het tijd was om te eten. Ze zat aan haar vaders rechterhand en luisterde naar alles wat er aan tafel gezegd werd. Er viel geen woord meer over Valdis.

De dag van Timoine

Riei werd wakker toen het nog bijna donker was, precies zoals ze zich had voorgenomen. Ze was zich al aan het aankleden toen ze eraan dacht dat ze maar beter niet kon opvallen. Ze trok haar fluwek en jak weer uit en zocht in de kist naar haar oudste kleren, een paar hozen waar ze eigenlijk uit gegroeid was en het hemd met de verstelde scheur erin van de val uit de appelboom. Haar haar bond ze naar achteren zoals bij een jongen. In haar goede hemd rolde ze het lapje met de vijf stuivers en het hemd rolde ze weer in een groene hoofddoek die van Erne was geweest. Ze sloop langs de kamer waar ze het broertje en de min kon horen ademhalen, langs haar vaders kamer en naar beneden. In de keuken stond een mand met haverkoeken. Ze pakte er twee uit - meer zouden ze misschien missen - en dronk een paar slokken melk. Een van de knechten op de zolder draaide zich om; Riei stond even stil, maar hij werd kennelijk niet wakker.

Buiten lag de rijp dik op de stenen en het gras, maar de lucht rook naar lente. Riei liep zo dicht mogelijk bij de muur, door het kleine poortje dat altijd open stond, langs de stallen, de weg naar Tal-Ryth op.

Er waren al heel wat mensen op weg naar de jaarmarkt en een kind in gelapte kleren was niets bijzonders. Ze liep precies zo dicht bij een ossekar dat het leek alsof ze erbij hoorde en de man met de kar haar niet zou wegjagen. De os draaide zijn grote zachtmoedige kop naar haar om en ze aaide hem tussen zijn ogen.

"Klim er maar op als je wilt," zei de ossedrijver. "Veel te ver voor zo'n klein jochie." Riei trok zich op aan de halster. Mooi zo, hij dacht dat ze een jongen was, en ze zou ook niet het hele eind hoeven lopen. Ze klemde haar pakje steviger tegen zich aan en hield zich met haar andere hand in evenwicht op de rug van de os. De ossedrijver was een man van weinig woorden en Riei zei ook maar niets.

Toen de zon goed en wel aan de hemel stond hield de os stil bij een bosje en begon te grazen. "Hier eten we altijd," zei de ossedrijver en haalde brood en worst te voorschijn. Hij stak Riei een stuk toe. Ze wist niet of ze het moest aannemen, maar de man drong aan en het rook maar al te lekker. Ze herinnerde zich net op tijd haar manieren.

"Ik heet Lan," zei ze. Zo heette het broertje van Rava. Voorlopig moest ze maar een jongen blijven.

"Radan," zei de ossedrijver. "Nou zijn we geen vreemden meer." Hij beet in zijn worst en Riei in de hare. "Wanneer zijn we in Tal-Ryth?" vroeg ze.

"Nog voor de middag, hoop ik," zei Radan. "Ik wil de voorstelling zien."

Riei dacht dat Radan het over de jongleur met de messen had, maar eenmaal in Tal-Ryth merkte ze dat het een heel ander soort voorstelling was. Er stond een grote bont beschilderde kar op het marktplein. Een man met een baard, een vrouw en een halfwas jongen waren bezig er een soort dak bovenop te bouwen. Zoiets was ook wel eens op het kasteel geweest: het was een toneelgezelschap.

"Nou jong," zei Radan, "ik moet aan het werk, zie je straks wel weer." Riei bleef op het plein achter en keek naar de toneelspelers. De vrouw had een droevig gezicht en deed haar op de een of andere manier aan Erne denken, al leek ze helemaal niet op haar. Ineens kwam ze erachter dat het was omdat deze vrouw op dezelfde manier als Erne kon luisteren. Riei maakte zich zo klein en onzichtbaar mogelijk en probeerde toch alles te zien.

Na een tijdje begon de voorstelling. Het was een oud verhaal dat Riei wel kende, Koning Valain en de Heks, met grappen en liedjes er tussendoor. De jongen speelde luit en de vrouw zong erbij. Haar stem was net zo droevig als haar gezicht, zelfs in het laatste lied toen koning Valain het gevecht tegen de Heks had gewonnen. Riei moest zich inhouden om niet in tranen uit te barsten; ze kon niet gebruiken dat iemand zich met haar bemoeide.

Ze dwaalde een beetje over de markt, nog steeds klein en onzichtbaar, en vroeg zich af of ze in een wagen zou kunnen kruipen die heel ver weg ging. Met Radan meerijden had geen zin: die zou natuurlijk weer langs het kasteel komen. Naar Valdis wilde ze ook niet, en er was geen enkele manier om aan de wagens te zien waar ze vandaan kwamen en waar ze heen gingen. Als ze het aan iemand vroeg viel het te veel op. Ze kwam er niet uit. Tenslotte ging ze op de dichtstbijzijnde disselboom zitten en begon eindelijk te huilen.

Een arm om haar schouders, een hand op haar hoofd, en even dacht Riei dat alles een nachtmerrie geweest was, maar het was de toneelspeelster met de droevige stem. "Wat is er, ben je verdwaald?"

Ze schudde haar hoofd. De vragen bleven komen en ze hoorde zichzelf antwoord geven alsof het iemand anders was. Hoe heet je? Hoe oud ben je? Wat is er gebeurd? Moeder is dood, vader wil me verkopen voor twaalf ruiters. Ik wil niet naar huis, ik wil niet naar Valdis, ik wil niet in de Tempel.

"Een geschenk van Timoine, Ailin, we moeten haar maar houden." Dat was de man met de baard, de leider van de spelers. "Luister. Riei, is het niet? Jouw vader wil je niet hebben en wij mochten ons kind niet houden. Timoine heeft je aan ons gegeven, denk ik. Vertel me maar wie je vader is, dan zal ik hem zijn twaalf ruiters wel betalen."

Zo kwam het dat de ossedrijver Radan die avond een beurs met zilver en een vreemd briefje aan Ardin van Sarabal kwam brengen. Van zijn zoon, zei Radan, maar Ardins zoon was pas drie dagen oud en het briefje ging over zijn dochter. Hij begreep er eigenlijk niets van, maar hij gaf de twaalf ruiters aan de Tempel van Naigha samen met de andere twaalf die hij voor de opvoeding van Riei bestemd had.

En zo kwam het dat de toneelspelers Tyan en Ailin weer een dochtertje hadden om te leren lezen en zingen, buitelen en mennen, en dat Riei een pleegmoeder had om haar alles te leren waar haar eigen moeder de kans niet voor had gekregen.

De jongen met de luit was nergens meer te vinden. Misschien kon hij ergens anders meer verdienen. Of misschien was ook hij niet helemaal wat hij leek.

[an error occurred while processing this directive]