Hoe het gebeurd is? Ik weet wel wanneer het is begonnen: toen Orian op de jaarmarkt in Valdie Rizenay die oude luit kocht. De koopman had verder alleen rotzooi en de luit ging zo goedkoop weg dat het niet eens de moeite was om af te dingen, alsof hij blij was het ding kwijt te zijn. Het was ook eigenlijk geen echte luit, meer een soort tingeldoos, een halve houten watermeloen met een lange rechte hals en zes snaren. Maar Orian kon overal muziek uit krijgen. Zelf heb ik mijn hele leven al ruzie met alles waar snaren op zitten, harp, luit, vedel, zodra ik het in mijn handen heb raakt het ontstemd of springt de ene snaar na de andere.

Hij kwam er die avond niet meer aan toe om zijn aanwinst zelfs maar te stemmen, want we moesten spelen tot we erbij neervielen. Zo'n jaarmarkt verdient altijd goed, en Rizenay ligt ver genoeg buiten de bewoonde wereld dat onze oude liedjes in de smaak vielen alsof ze gloednieuw waren. Het is ook moeilijk om niet te luisteren als Orian zingt. Hij heeft een hoge strakke stem die door het ergste marktlawaai heen komt. Ik kan wel een beetje bas brommen, maar op een jaarmarkt speel ik maar liever fluit of rietpijp.

Toen we ons eindelijk op de hooizolder van de herberg in onze mantels rolden sliep ik onrustig. Orian blijkbaar ook, want telkens als ik half wakker was hoorde ik hem op de luit tokkelen, een toverachtig wijsje dat middenin leek te beginnen en te eindigen. 's Morgens lag hij niet naast me. De luit stond tegen een hoop hooi bij zijn andere spullen en Orian zelf was zich bij de put aan het wassen.

"Ik dacht dat jij geen luit kon spelen," zei hij toen ik de ladder af kwam. "Zou je vaker moeten doen."

Ik was stomverbaasd. "Ik? Jij bent de hele nacht op geweest met dat ding, ik heb geen oog dichtgedaan..." We keken elkaar aan en besloten dat we het gedroomd hadden.

Hij leerde er snel mee omgaan. Het duurde niet lang of hij speelde liever op de watermeloen dan op zijn echte luit. Het leek ook wel of hij er beter van ging zingen. In ieder geval gingen we meer verdienen. We begonnen weer over onze bijna vergeten droom te praten, ophouden met trekken, een huisje in Veray, leerlingen nemen, we waren tenslotte geen achttien meer. In de beurs zat nu zilver en zelfs een enkele kroon.

Voor Orians gezondheid was het niet zo goed. Van pezig werd hij mager, de glans in zijn ogen werd een bijna bezeten schittering. Soms voelde ik 's nachts ineens dat hij niet meer naast me lag en hoorde ik even later getokkel, altijd dezelfde melodie, die hij nooit afmaakte. Als we optraden straalde hij als nooit tevoren, maar het leek wel of hij dat met zijn leven betaalde.

We brachten de winter door in het zuiden en trokken in de lente langs de Valda en de Rycha. Als er ergens een feest of een jaarmarkt was bleven we een paar dagen en werd de beurs met zilver weer wat voller. Al praatten we er nooit over, we wisten allebei dat we eigenlijk op weg waren naar Veray om er te blijven. In de winter had Orian zijn eerste koortsaanval gehad en het gebeurde steeds vaker. Als hij de luit maar in zijn handen had en publiek tegenover zich, dan leek het alsof er niets aan de hand was; later kwam de koorts dan weer in volle hevigheid. Ik zat hele nachten bij hem op. Als hij niet ziek was wilde hij er niet over praten. "Ik ben alleen maar moe, we worden oud, nog even en we zijn in Veray," en daar moest ik het maar mee doen.

Toen we dan in Veray waren was het volop zomer. We huurden een kamer en een alkoofje in een huis waar de tempelschool uit was gegroeid en waar nu allerlei soorten mensen woonden. Naast ons zat een middelbare hoer die ons bemoederde, boven ons een alchemist die op de vloer bonkte als we 's avonds laat muziek maakten. Het ging beter met Orian. We waren bijna gelukkig.

Geluk kan niet eeuwig duren. Nog voor midzomer werd Orian weer ziek, erger dan ooit. De buurvrouw kwam met koude omslagen en de alchemist met bittere drankjes, die geen van alle hielpen. Ik bracht hem de luit, maar hij had de kracht niet om rechtop te zitten en hem vast te houden. Het duurde vier dagen. Op de vijfde dag kroop hij uit bed, waste zich en pakte zijn spullen in. Hij was bleek en uitgeput, maar volkomen helder.

"Rhun," zei hij, "ik wil naar huis."

Thuis is voor Orian een dorpje een paar dagen stroomopwaarts van Veray, zo klein dat de rivierboten er niet aanleggen: Rychie Gralen. Zijn zuster Leva woont er met een meute kinderen. Ik wist een bootje te organiseren en roeide met Orian de Rycha op, zo snel als ik kon, tot mijn schouders en billen wel van hout leken.

We kwamen in Gralen aan op de feestdag van Anshen. Het was midden op de dag, te laat voor de optocht, maar het vreugdevuur laaide nog hoog op. De dorpskinderen gooiden er takken en rommel op en daagden elkaar uit om er het dichtst bij te komen. De dapperste, een lange spriet van een jaar of dertien, trok al haar kleren uit, gooide een emmer water over haar haar en sprong regelrecht door de vlammen. Alsof ze hem op een idee had gebracht maakte Orian de luit los van zijn rugzak en gooide hem op het vuur, alles in ��n beweging, voor ik in de gaten had wat hij aan het doen was.

Hij schreeuwde van de pijn. Ik had hem nog net vast voor hij de kans kreeg achter de luit aan te gaan. Na een poosje kon hij niet meer schreeuwen en niet meer blijven staan. Hij zakte in elkaar en lag aan mijn voeten, zachtjes kermend, alsof hij het zelf was die in brand stond.

We droegen hem naar Leva. De kinderen kwamen erbij: het waren er zes, allemaal meisjes. Alleen de oudste, de waaghals bij het vuur, mocht blijven. Ze waren samen de rest van de dag en de halve nacht met hem bezig met kruiden, gebeden en bezweringen. Hij haalde het, maar het scheelde niet veel.

De volgende morgen kwam een van Leva's dochters de luit brengen. Het vervloekte ding had niet willen branden.

Orian is een wrak. Hij is bij Leva gebleven en helpt haar met karweitjes, maar haar jongste dochtertje kan het beter. De muziek is uit zijn vingers verdwenen en de glans uit zijn ogen. Het is haast niet te zien hoe hij geweest is, hoe hij was toen ik hem liefhad.

Ik ben bij de burggraaf van Veray in dienst als trompetter. Iedere dag hetzelfde liedje. De soldaten zijn ruw volk, maar ik kan het goed met ze vinden: ze leren me boogschieten en zwaardvechten. Ik kom nog wel eens bij de wacht. Het is geen avontuurlijk leven, maar het is een leven en ik kan er mijn brood mee verdienen. Ik heb genoeg van avontuur. Wil er soms nog iemand een luit kopen?