Jilan is dood. Het is mijn schuld niet, maar het komt wel door mij. Hij stierf met veel pijn en moeite, zonder dat ik iets anders kon doen dan toekijken hoe hij van binnenuit werd opgevreten. Ik wist precies wat er zou gebeuren en hoe weinig eraan te doen was, want ik had het gif zelf gemengd; en het ergste is nog dat het voor mij bedoeld was.

Ik was niet van plan een leerling te nemen; hij viel me in de schoot. Bijna letterlijk. Ik had iets te regelen met - ik zal geen namen noemen - klanten, op de oude woonboot die ik voor dat soort dingen in het Grauwe Gat heb liggen. Het ging niet goed. Het scheelde maar een haar of ze hadden me door. Het is waar dat ik soms bezig ben op de rand van wat nog kan, maar daar staan al die aanslagen tegenover die ik heb kunnen verijdelen enkel en alleen omdat ik ervan wist. Ik ben apotheker, tenminste openlijk; dat ik ook nog alchemist ben weet een enkeling en bijna niemand weet de rest. Ze vertellen me wat ze willen, ik maak het, zij betalen, en dan zorg ik dat degene voor wie het bestemd is weet dat het eraan komt. Het werkt bijna iedere keer.

Deze keer wilden ze niet eens betalen. Hun opzet was immers niet gelukt. Dat lag niet aan mijn vakmanschap, maar dat geloofden ze natuurlijk niet. Het was bijna zover gekomen dat ik me had verraden toen er in het ruim iets ritselde. Ik dacht werkelijk dat het de ratten waren, maar hij - ik noem nog steeds zijn naam niet - viste een jongetje uit het vooronder, een mager straatschoffie dat waarschijnlijk alleen maar een droge slaapplaats had gezocht. Ik moest wel doen alsof ik van plan was hem uit de weg te ruimen, en misschien heb ik hem ook wel te hard aangepakt. Mizran, ik was zelf bang, zij hield hem een mes op de keel, mag het? Ik heb in mijn wilde jaren een greep in de nek geleerd waar je iemand een poosje mee kunt uitschakelen, en als je geluk hebt is hij niet dood. Ze dachten wel dat hij dood was, hij zag er ook zo uit, maar volgens mij heeft hij alles gezien en gehoord. Hij heeft er nooit één woord over gezegd, zelfs niet veel later, toen hij al lang mijn aangenomen zoon was.

Jilan werd hij genoemd, 'halfje', en terecht, veel vlees zat er niet aan. Ik ben er nooit achter gekomen hoe oud hij precies was. Toen ik hem vond was hij zo groot als een kind van negen, hij zei dat hij veertien was, en ik hield het maar op twaalf. Wie zijn moeder was wist hij niet, en wie zijn vader was natuurlijk al helemaal niet; waarschijnlijk was hij een hoerejong, te vondeling gelegd of in de steek gelaten. Je moet erg taai zijn om in het Grauwe Gat twaalf jaar in leven te blijven. Jilan was taai; ook bitter en verhard. Hij geloofde niet in goden, en voor zover hij wist geloofden er geen goden in hem.

Ik leerde hem lezen, maar voor ik daarmee kon beginnen moest ik hem eerst leren dat het gewoon is om je te wassen. Hij stonk naar twaalf jaar lang tussen vuilnis en rotte vis slapen. Toen hij eenmaal in de gaten kreeg dat er schoon warm water bestond, en dat er meer dan genoeg van te krijgen was in mijn huis, had ik af en toe evenveel moeite om hem uit de tobbe te krijgen als ik in het begin had om hem erin te krijgen.

Hij kreeg alles snel in de gaten. Binnen de kortste keren was hij niet meer te onderscheiden van de leerjongens van mijn vakbroeders - de apothekers, niet de alchemisten. Als je niet naar zijn taalgebruik luisterde, tenminste. Het Grauwe Gat krijg je er nooit meer uit. Hij kende scheldwoorden waarvan ik niet eens wist wat ze betekenden. Het verschil met vroeger was dat hij ze nu ook kon schrijven. Je hoefde hem iets maar één keer te vertellen en hij onthield het. Ik begon te begrijpen hoe hij het gered had.

Ik heb geen zoon, tenminste niet dat ik weet. Niet omdat ik afkerig ben van vrouwen, verre van dat, maar in mijn vak is het niet bepaald veilig om met iemand samen te leven. Jilan werd een zoon voor me. Ik was niet alleen van hem gaan houden, ik had ook een erfgenaam nodig, ik was tenslotte niet bepaald jong meer. Het ging me voor de wind; kennelijk hadden mijn opdrachtgevers een hogere dunk van me nu ze dachten dat ik Jilan van kant had gemaakt. Ik moest hem natuurlijk verbergen, in ieder geval de eerste tijd, maar toen hij eruit begon te zien als een apothekersknechtje kon hij zich weer vertonen. Toen hij een jaar bij me was liet ik een akte opmaken om hem als mijn wettige zoon aan te nemen. Wie weet was het echt zo. Hij leek zelfs een beetje op me, zij het dat hij zijn hele leven tenger is gebleven. Ik was van plan hem naar de hogeschool in Ildis te sturen zodra hij zijn taal een beetje gekuist had.

De opdracht verschilde in niets van alle andere. Hoewel, ik had misschien argwaan moeten krijgen omdat ik er niet achter kon komen voor wie het was, wat me alle vorige keren wel gelukt was. Ik had de jongen naar de markt gestuurd. Van sommige dingen hoeft niemand iets te weten. Ze zouden het die avond nog komen halen, thuis, niet op de boot, we deden immers gewoon zaken. Ik ging aan het werk. Jilan was nog niet terug. Ik maakte me niet ongerust, hij bleef wel vaker een hele middag weg, misschien miste hij het avontuur. Ik schonk het extract in een flesje. Toen ik het wilde verzegelen kon ik geen lak vinden. Ik stak het flesje bij me, je weet maar nooit, het was niet verzegeld, de kat kan het omstoten, er kan brand komen.

In de hele stad was kennelijk geen zegellak me te koop. Toen ik eindelijk thuiskwam was het donker, ook binnen. Ik wilde net de lamp aansteken toen ik iets hoorde in het achterhuis. Ik ben nogal gezet en, zoals ik al zei, niet jong meer, maar ik kan geluidloos sluipen als het moet, en het moest: het klonk te groot voor ratten en niet voorzichtig genoeg voor de kat. Een inbreker zonder licht, of een dronkelap in het verkeerde huis. Op de tast greep ik de marmeren stamper uit de vijzel en sloop naar de deur, klaar om de indringer een klap te verkopen. Dat ik me kon inhouden verbaast me nog steeds, en ik weet niet of ik er niet beter aan gedaan zou hebben om toch te slaan.

Jilan lag op de keukenvloer in een poel van wijn en scherven, en waarschijnlijk ook bloed, dat kon ik niet zien in het maanlicht. Toen hij me zag probeerde hij op te staan, maar dat kon hij niet meer; ik ben een vakman, en als ze iets bestellen dat snel werkt, dan werkt het snel. Op dat moment wist ik wel wat er aan de hand was, maar niet hoe het had kunnen gebeuren. Het kon me ook niet schelen. Ik legde de jongen in bed en waste hem en bleef bij hem, zonder licht te maken of zelfs maar mijn mantel uit te trekken, tot het voorbij was. Het duurde langer dan ik gedacht had; dat betekende waarschijnlijk dat hij een heel kleine dosis had gehad. Ik kon niets doen. Alles wat ik zou proberen zou het alleen nog maar erger maken. Ik had er natuurlijk een eind aan moeten maken, maar dat kon ik niet, niet in koelen bloede, ik ben een gifmenger maar geen moordenaar. Hij stierf tegen de ochtend. Ik ging naar de tempel om te zeggen dat mijn zoon dood was. Van de rest van die dag herinner ik me niet veel, niet eens of ik bij de begrafenis ben geweest. De volgende morgen werd ik wakker, nog steeds met mijn kleren en mijn mantel aan, met een hoofd dat aanvoelde alsof iemand er een smidse in was begonnen.

Toen ik me had gewassen en me weer ongeveer een half mens voelde, ging ik op onderzoek uit. In de keuken was het nog steeds een ravage. Ik probeerde te bedenken wat er gebeurd kon zijn. Er was een glazen kan aan scherven gevallen. Ik heb twee van die glazen kannen; in de ene zit meestal wijn, de andere gebruik ik voor mijn werk. Bijna niemand kan het verschil zien. Jilan wist waar hij op moest letten, maar als er een kan wijn in de keuken stond toen hij thuiskwam, dan zou hij geen enkele reden hebben om aan te nemen dat er iets mee aan de hand was. Er was wel degelijk een inbreker geweest: toen ik de stad in ging om zegellak te kopen. Iemand had de wijn in de kan geschonken waar het restje extract in zat; iemand die niet wist dat Jilan eerder zou thuiskomen en zich een beker wijn zou inschenken. Iemand die hoopte dat ik de wijn zou drinken en sterven door mijn eigen gif.

Ik kan hier niet blijven. Vandaag nog vertrek ik naar het noorden. Ik krijg wel werk aan de hogeschool in Ildis, waar niemand weet wie ik ben. Hier ben ik mijn leven niet zeker. Ik wist dat het gevaarlijk was toen ik eraan begon, maar ik dacht dat ik de enige was die gevaar liep. Ik neem geen leerlingen meer aan; ik speel geen hoog spel meer. Niemand leeft lang genoeg in het Grauwe Gat.