Lieve Raisse,

Ik schrijf je zonder veel hoop dat deze brief je ooit zal bereiken, maar je hebt mijn dochter ooit de raad gegeven om alles op te schrijven wat er gebeurd was zodat het haar niet meer zo zou duizelen, en net als zij vind ik dat een goede raad. Het duizelt me, dus ik schrijf alles op en probeer het met de eerste gelegenheid aan jou te sturen.

Wij verlieten Ildis samen met een groepje kooplieden. Bij de poort werden we niet tegengehouden - er stond gelukkig niemand van de Garde, en de gewone poortwachters hadden blijkbaar nog geen bevel gekregen om naar ons uit te kijken. In Valdis keek zo te zien ook niemand naar ons uit, want we konden zonder moeite onze intrek nemen in een herberg aan de haven. Ik maakte mezelf en Hylti zo onopvallend mogelijk en ging op zoek naar een boot in zuidelijke richting. Die was snel gevonden, maar ik vermoedde dat Vurian en de anderen nog in Valdis waren en nam het risico om naar hen uit te kijken. Ik vond Vurian in de herberg de Bonte Hond en stuurde Hylti om hem te halen; ik vond dat hij het recht had om te weten wat ik van plan was. Bovendien wilde ik het gerucht laten verspreiden dat ik dood was, en Vurian en Faran hadden al eerder met veel succes geruchten verspreid. Achteraf denk ik dat het risico misschien te groot was, maar gedane zaken enzovoort. Ze kwamen allemaal, Faran, Vurian, Imri de doktersleerling, die maar niet wil toegeven dat ze begaafd is, en Ysella, die op het eerste gezicht een dom gansje lijkt maar ook meer in haar mars heeft dan ze misschien zelf beseft. Eerst herkenden ze me niet, de camouflage was kennelijk goed genoeg. Ik nam hen mee naar mijn kamer, vertelde heel summier iets over mijn plannen, en vroeg hen het gerucht te verspreiden. Toen blies de schipper op zijn hoorn en moesten we aan boord gaan; Vurian en de anderen vertrokken ongeveer tegelijkertijd te paard, maar konden de boot niet inhalen.

Vanaf dat moment was iedere mijl van de weg een stap in het onbekende. Ik was wel eerder in Valdis geweest, maar nooit verder, wat dat betreft kan ik zelfs jou niet evenaren. Ik wist ook maar al te goed dat de kans dat ik ooit nog zou terugkomen heel klein was. De Valda zelf is al indrukwekkend, met gemak vier maal zo breed als de Ilda bij ons, en hoe verder naar het zuiden je komt, hoe breder ze wordt. We voeren eerst tussen landerijen door, toen tussen hoge oevers begroeid met wijngaarden (dat is Lenyas, de streek waar Faran vandaan komt, evenals het Zwanenbloed), verderop bossen en golvende heuvels, en ineens was er geen brede stroom meer, maar splitste de rivier zich in duizend kleine stroompjes en beekjes met drassige rietlandjes ertussen. Dat schijnt ook nog eens met het seizoen te veranderen; beurtschipper op de Valda is een moeilijk vak, dat onze schipper gelukkig beheerste. Ayran had het bijzonder naar zijn zin aan boord en praatte er al over om bij de schipper in de leer te gaan, maar ik vond het geen goed idee dat hij alleen in Valdyas zou blijven tot hij net zo goed voor zichzelf kan opkomen als Rovan.

Na een paar dagen varen door steeds natter en platter landschap zagen we Essle in de verte, om te beginnen als een vuile vlek aan de horizon. De buitenwijken van Essle zijn zo groot als heel Ildis of misschien nog groter, en zo armoedig als onze overkant of misschien nog armoediger. Essle heeft geen muren of poorten, en is gebouwd op talloze eilandjes zodat het onmogelijk is om een wagen te gebruiken. De bewoners verplaatsen zich in bootjes of te voet over de bruggen en de rijken laten zich in draagstoelen ronddragen. De stad is groter dan je je kunt voorstellen, meer dan tien keer zo groot als Valdis, heb ik me laten vertellen, en je ziet ongelooflijke rijkdom en bittere armoede vlak naast elkaar.

We verlieten de boot aan een morsige kade en vroegen de eerste de beste betrouwbaar uitziende voorbijganger de weg naar het Dronken Zeepaard. Hij bleek er zelf naar op weg te zijn; zijn naam was Ainei Jichan, eerste stuurman van een koopvaardijschip, en de waard was een oude vriend van hem. Hij is van de familie Rhydin - Jichan bedoel ik, niet de waard - maar dat stelt niet zoveel voor, zei hij.

Je hebt niets te veel gezegd over het Dronken Zeepaard; het is er schoon, veilig, plezierig en de waard is inderdaad een grootmeester in het Gilde van Anshen, Serlei Valain, die beweert dat hij van Vegelin de Grote afstamt, en zoals hij eruit ziet zou het me niets verbazen als het waar is: klein en pezig met rood krulhaar, net als de portretten van de koning. Hij verwachtte ons al, waar ik eigenlijk jou van verdenk, maar ik neem het je niet kwalijk; ik hoefde niets uit te leggen en ik voelde me zo veilig dat ik voor het eerst sinds ons overlopen durfde te gaan slapen zonder zegel. We bleven er een paar dagen, vooral om uit te rusten en ons te bezinnen op de toekomst. Ayran was niet van Jichan weg te slaan en liet zich door hem op sleeptouw nemen in de haven en op zijn schip. Ik vond het wel best, want als Valain iemand vertrouwt is hij te vertrouwen en het leek er steeds meer op dat Ayran naar zee wilde. Hij is nu nog veilig, als hij al geestelijke gaven heeft is dat nog niet aan hem te merken, en op zee valt hij tenminste niet meteen op als een zoon van mij.

Hylti en ik lieten ons door Valain bekijken; hij is net zo voorzichtig als jij, al zit er meer vuur in hem. Hylti is er goed af gekomen, volgens Valain heeft ze een gewone gezellenproef gedaan, maar ik heb een hardere klap gehad dan ik op dat moment besefte, en een deel van mijn kracht kan ik niet meer gebruiken. Het komt erop neer dat ik geen grootmeester meer ben. Of dat komt door wat er gebeurd is of doordat grootmeesterschap iets is dat de goden uitdelen, weet ik niet, en Valain ook niet.

Valain bood aan Hylti ergens uit het zicht onder te laten duiken en haar, zodra ik de stad had verlaten, bij het Gilde van Anshen onder te brengen op een plaats waar ze verder kon leren. We zouden minder gevaar lopen als we niet bij elkaar waren en geen van beiden wisten waar de ander was; bovendien wisten we zeker dat het Gilde van de Naamloze achter mij aanzat, maar niet of ze ook Hylti moesten hebben. Hylti werd helemaal giechelig van opluchting, want eigenlijk had ze er wel tegenop gezien om naar het buitenland te gaan nog voordat ze de kans had haar gaven te ontwikkelen. Als het maar niet in Ildis is, zei ze, en ging haar tas inpakken. Ik weet nog steeds niet of het ook tot haar doordrong dat we elkaar waarschijnlijk nooit meer zouden zien, en op dat moment was ik nog te verward om dat duidelijk te maken. Het verbaast me nog steeds dat ik toen mijn kinderen zo gemakkelijk kon loslaten, maar misschien was dat omdat mijn hele leven al zo was veranderd dat een verandering erbij geen verschil meer maakte.

Ik vertrok uit Essle op het schip van Jichan, nadat ik een leren tas, een blanco boek, nog wat papier, pennen en inkt had gekocht en ook Valain op het hart had gedrukt om het bericht over mijn dood rond te bazuinen. Ayran voer mee als scheepsjongen, en niets ter wereld kon hem daar nog van af brengen. Des te beter: hij was goed terechtgekomen, leerde een vak, en Jichan kon op hem passen. Ik gebruikte de tijd aan boord om het boek vol te schrijven met alles wat ik wist over het Gilde van de Naamloze voordat de herinnering zou verflauwen. Toen ik klaar was heb ik het ingepakt, aan jou geadresseerd en op meer dan één manier verzegeld, zodat het als mij iets overkomt misschien nog bij je terechtkomt.

Op de avond dat ik de laatste regels in het boek schreef - het verhaal van mijn bekering - werd er aan dek geroepen dat de vuurtoren van Solay in zicht was. Die vuurtoren is zo groot als een stel van de hoogste gebouwen in Ildis bovenop elkaar, en er brandt dag en nacht een vuur op. Essle heeft ook wel een vuurtoren, maar dat is niets vergeleken bij die van Solay, die al dagen voordat een schip de haven nadert te zien is. De volgende dag zagen we de stad liggen, verblindend wit in de zon. Het was nog een heel gedoe om werkelijk de haven binnen te varen, want de vaargeul loopt door een moeras. Ik zag bomen die met de wortels in het water leken te staan, een rietkraag en enorme bladeren alsof hier reusachtige waterlelies groeiden. Het moest nog winter zijn, maar het was zo warm als in Ildis in de zomer, en volgens de kapitein zou het later in het jaar nog veel warmer worden.

Het havenkwartier is eigenlijk buitengaats, op een eilandje waar ook de wijken voor buitenlanders gebouwd zijn: Klein Valdyas, dat eruit ziet als een kruising tussen Ildis en Essle, en verder een paar wijken voor mensen uit Iss-Peran en andere buitenlanden. Het eiland is door een dam verbonden met het vasteland, of eigenlijk een brug, of een dam met stukken brug erin, ongelooflijk groot en volgebouwd met witte gebouwen. Buitenlanders worden geacht in hun eigen wijk te blijven en vooral niet over de dam te gaan.

Ik kreeg niet de gelegenheid om in de haven of in Klein Valdyas rond te kijken, want ik was nog niet van boord of er kwam een enorme stoet aan die eruit zag als een edele met groot gevolg, met aan het hoofd een draagstoel met gordijntjes. Iedereen maakte ruim baan en ik stelde me verdekt op tussen de mensen aan de kant van de straat, maar dat had geen effect: er stapte een lange vrouw met een donkere huid en een merkwaardig van riet gevlochten hoofddeksel uit de draagstoel, die regelrecht op mij af liep en me aansprak in een taal die ik niet kon verstaan. Ik verstond alleen mijn naam. Er kwam gelukkig een klein oud vrouwtje bij dat wel onze taal sprak. Het bleek dat de lange vrouw de Serene Hoogheid, Lerares van de Wereld, de Edele Dame Dayati Semadis Sithi Sagga was, die de Raadsvrouwe Arnei Arvi hartelijk welkom heette in Aumen Síth. Ik vroeg me af hoe ze wisten wie ik was - zou ik verraden zijn? En door wie dan wel, en wie wist het allemaal nog meer? Dat ze me "raadsvrouwe" noemde deed me wel denken dat het iemand uit Ildis was, want als het bijvoorbeeld Valain was die de mensen in Solay van mijn komst op de hoogte had gesteld, dan zou hij me nooit zo hebben aangeduid.

Midden in die verwarring vroeg de Serene Hoogheid me om met haar mee te gaan en haar gast te zijn, en ik had nog net de tegenwoordigheid van geest om afscheid te nemen van Ayran voordat ik verbouwereerd in de draagstoel stapte. Het gordijn aan mijn kant was open, en ik kon zien dat we over de dam naar de stad gingen, door een poort in de stadsmuur, en langs een heleboel grote gebouwen, allemaal even wit, en vreemd genoeg zonder ramen. Ik liet een deel van de camouflage zakken waar ik me in had gehuld zodra mijn voet de loopplank beroerde, en keek voorzichtig naar mijn gastvrouw. Wat ik zag verbaasde me: ze was wel degelijk begaafd, ongeveer zoals jij of ik, maar nauwelijks ontwikkeld, amper gezel, hoewel ze niet veel jonger was dan ik. Ik probeerde haar geest te bereiken omdat we elkaar immers niet konden verstaan, maar het was alsof ze het niet eens merkte. Het gaf haar wel een ongemakkelijk gevoel en ik liet het er maar bij. Ik had nog net kunnen zien dat ze zich ervan bewust was dat ze een van de machtigste mensen in haar wereld was. Ik liet mijn camouflage helemaal vallen en voelde haar opluchting; zou het kunnen zijn dat ze zelf geen idee van haar gaven had, en op dat gebied volkomen in het duister tastte?

Tenslotte kwamen we aan bij een immens lange blinde muur met een poort erin, die voor ons werd opengedaan. Achter de poort was een grote kale binnenplaats waar we uit de draagstoel werden geholpen. Hier kreeg ik wat eruit zag als een bijzonder formele ontvangst met muziek, hellebaardiers en onverstaanbare toespraken. Daarna nam de Serene Hoogheid me mee door een met mozaïek ingelegde poort. We kwamen in een zaal die zo uitgestrekt was dat ik niet meteen zag waar de muren waren; het was een woud van dunne pilaartjes, allemaal verschillend versierd met snijwerk van druivenranken, klimop, bloemen en zo. Er was een oorverdovend lawaai van krijsende vogels, jengelende kleuters, vechtende katten, huilende zuigelingen, en vooral heel veel mensen die aan een stuk door tegen elkaar schreeuwden in de taal die ik niet verstond. Achter in de zaal was een ovale aanbouw, ongeveer zo groot als de raadzaal in Ildis maar met een veel hoger plafond, waar op een verhoging een tafel en een paar stoelen stonden. Op een van de stoelen zat een man van ongeveer mijn leeftijd, ook donker van huid en rijk gekleed. Naast hem zat een jongen van een jaar of twaalf in een boek te schrijven, en bovenop de tafel speelde een klein meisje iets ingewikkelds met stro en lappen. De man, die mij werd voorgesteld als de Serene Hoogheid, Leraar van de Wereld, de Edele Heer Talay Semadis Sithi Sagga, sprak mij zowaar aan in heel behoorlijk Valdyaans en noemde me alweer "raadsvrouwe". Ik probeerde hem uit te leggen dat ik die waardigheid niet meer had, dat ik in feite niet meer was dan een vluchteling, en er ontspon zich een woordenwisseling over welke titel mij dan wèl toekwam. Uiteindelijk vroegen ze of ik dan genoegen nam met iets onverstaanbaars, omdat ik er eerlijk gezegd niet uitzag als iets anders onverstaanbaars. Dat veroorzaakte wat hilariteit, omdat het "dronkenmakende schoonheid" betekende. Thuis geld ik in ieder geval niet als een bijzondere schoonheid, en kennelijk hier ook niet. Ik zei haastig dat ik er geen bezwaar tegen had om "raadsvrouwe" genoemd te worden zolang ik hier te gast was; in hun taal is dat "parisajatar". Toen ik hem vroeg van wie ze wisten dat ik in aantocht was, zei hij "van onszelf".

Het bleek dat Talay (zo moet je het schrijven, maar je spreekt het uit als Talai) de echtgenoot van Dayati was, en zij beiden waren de hogepriesters van een godheid die ook Dayati bleek te heten. Toen ik vroeg of het een god of een godin was kregen ze ruzie - niet erg serieus, en blijkbaar alleen maar de voortzetting van een jarenlange vriendschappelijke onenigheid - en Talay zei dat h�j ervan overtuigd was dat het een god was, hoewel Dayati zou zeggen dat het een godin was. Ik zei dat wij ook zo'n godheid hadden, een jongen voor jongens en een meisje voor meisjes, maar volgens het priesterpaar zat dat heel anders.

Al die tijd, al in de draagstoel, en op ieder moment dat we even ergens stilstonden, werd ik volgestopt met gele harsige wijn en kleine zoete hapjes, en nu werd er ook nog een ontbijt gebracht. Ik kreeg niet echt de kans om daarvan te eten, want Talay en Dayati namen me mee voor een rondleiding door hun huis. Eerst ging het door een enorme rechthoekige kamer met een half-ovale hap eruit, omdat de kamer achter de ovale nis lag. Dit was hun persoonlijke vertrek, met bedden, tafels, stoelen en kisten. Aan de muren hingen tekeningen van vogels en dieren, die er slordig en onaf uit zagen. Er stonden ook letters op, die ik niet kon lezen. Op een van de bedden zat een niet meer zo jonge vrouw een kind de borst te geven. De vrouw was volgens Talai een koe, omdat het kind geen moeder meer had, en ik had wat moeite om hem duidelijk te maken dat zo iemand een "min" heet. Achter deze kamer was een grote binnentuin, met overal rozen in de mooiste kleuren, een prieeltje met een gouden dak, en achterin een met wijnranken begroeide galerij. Overal liepen kleine kinderen rond en in het bruin geklede mensen van alle leeftijden die kennelijk bedienden waren.

We kwamen door een aantal kleine binnenplaatsen met telkens een gangetje ertussen, zoveel dat ik het niet meer kon bijhouden, en Talay vroeg me of ik genoeg zou hebben aan een kleine binnenplaats. Ik zei dat ik al genoeg had aan een kamertje met een bed en een schrijftafel. Hij bracht me naar een binnentuin waar een gevlekte kat lag te slapen, zo groot als een geit. Ik vroeg of het dier gevaarlijk was, en Talay zei "alleen als je erin zit". Ik bleef er maar bij uit de buurt, en ik merkte dat de kinderen dat ook deden.

De volgende binnentuin was nog wat kleiner - ongeveer zo groot als jouw hele huis in Ildis - en er zat een groepje bedienden muziek te maken. Dit bleek "mijn" binnenplaats te zijn; er waren vier kamers omheen, een slaapkamer waar net een bed werd getimmerd, een werkkamer, een badkamer met een grote tobbe en een kaptafel, en een bediendenvertrek. Verder had ik mijn eigen gemak tussen de werkkamer en de slaapkamer. Een kat zo groot als een geit was er gelukkig niet, maar wel de gebruikelijke kleine kinderen, gewone katten, krijsende vogels en bedienden in het bruin. Mijn tas met het boek erin had ik al die tijd zelf meegedragen, maar die werd me nu afhandig gemaakt door een jongetje, iets jonger dan Ayran denk ik. Tot de dag van vandaag - ongeveer tien weken nadat ik hier ben aangekomen - volgt hij me als een schaduw met de tas tegen zich aan geklemd, en hij slaapt aan mijn voeteneind met zijn hoofd erop. Veiliger kon mijn boek niet zijn.

Het was inmiddels tegen de middag, en ik werd ter hand genomen door een hele menigte bedienden die allemaal speciaal in mijn dienst leken te zijn. Voor mijn gevoel gebeurde alles tegelijk; ik kreeg te eten met alweer koppige wijn erbij, ik werd gewassen en met olie ingewreven tot mijn haar aan toe, mijn tanden werden gepoetst door een knappe jongen, ik kreeg een linnen hemd aan en werd in bed gestopt met veel te veel dekens, die ik meteen weer van me af gooide. Er kroop ook een klein jongetje bij me in bed, dat ik al eerder in een binnentuin had gezien. Hij had bij het eten mijn glas wijn bemachtigd en bijna alles opgedronken - geen wonder dat hij als een blok in slaap viel. Aan het eind van de middag werd ik ruw gewekt door het gekrijs van een peuter met hoofdpijn, maar het joch werd meteen afgevoerd door een dienstmeisje. Hij had wel een plasje in mijn bed achtergelaten.

Ik werd weer gewassen, gekapt onder onderdrukt gemopper over mijn moeilijke haar, ik kreeg een kledingstuk aan dat nog het meest leek op de hofmode in Valdis nagemaakt in wit linnen, sandalen, en de keus uit een rieten hoed en mijn eigen hoofddoek. Toen ik de hoofddoek koos kreeg ik geen kans om die zelf om te doen; een bediende knoopte hem onhandig om mijn hoofd en ik had het hart niet om hem te verschikken. Er verscheen een bediende, een man van even in de dertig, die me terugbracht naar de grote zaal. Dat was Dar, mijn "wegbereider", die me overal naartoe brengt. Ik begin er nu aan te wennen dat er altijd bedienden om me heen zijn. Ik ben nooit echt alleen, en aan de ene kant is dat prettig omdat het me van piekeren weerhoudt, maar aan de andere kant kan ik nooit helemaal tot rust komen, en weet ik zeker dat ik heel veel mis omdat ik niet de gelegenheid heb om na te denken.

In de grote zaal stond de tafel gedekt met allerlei gerechten. Het meeste was zonder vlees, maar heel smakelijk, met kruiden die ik nog nooit geproefd had. Er was een hoge gast: de Allersereenste Hoogheid, de Vicaris van Micalacuk, de Edele Heer Kacay Hamardis Sithi Sagga. Dat is een heel oude man, zeker tachtig jaar, in een gewaad dat bijna helemaal purper is; toen wist ik nog niet dat dat een teken is van grote waardigheid en hoge rang. Na het eten ging hij met ons mee om nog iets te drinken in de persoonlijke vertrekken van Talay en Dayati.

Die nacht sliep ik slecht, misschien omdat ik te moe was om te slapen, of door de warmte en de onwennigheid, of omdat het algemene kabaal ook 's nachts niet ophield. Het jongetje met de tas sliep aan mijn voeteneind, het meisje dat me had uitgekleed, opgemaakt (alsof iemand me 's nachts ziet!) en in bed gestopt sliep op een matje naast het bed, en de peuter sliep weer bij mij in bed, maar deze keer met een luier aan. Er lagen ook twee grote ruwe handdoeken op de natte plek, maar voor de zekerheid ging ik er toch maar naast liggen.

De volgende dag begon de mallemolen van bediend worden weer. Ik deed mijn uiterste best om mezelf aan te kleden, maar ik moest me gewonnen geven. Talay had me taalles beloofd en ik liet me door Dar naar het schoolgebouw aan de voorhof brengen. Ik had niet verwacht dat Talay zelf de leraar zou zijn, maar hij ging tegenover me zitten en schreef het alfabet op. De taal is eerder ingewikkeld dan moeilijk; nu, na tien weken, kan ik het redelijk spreken en verstaan als mensen moeite doen om duidelijk te praten, niet zoals de bedienden die er op los ratelen. Ik heb nog steeds iedere morgen les van Talay, en iedere middag geef ik les aan Dayati, de elementaire dingen die iedere leerling in het Gilde, het maakt geen verschil welk van de twee, binnen het jaar beheerst. Een paar dagen geleden heb ik haar laten zien hoe ze zelf kan kijken of de tweeling die ze verwacht jongetjes of meisjes zijn, of een van ieder; ze heeft het gezien maar wil het me niet vertellen, en dat is haar goed recht. Ze is een snelle leerling, maar ze is ver boven de leeftijd dat het komt aanwaaien. Zij, op haar beurt, geeft de lessen door aan Talay, zodat het een mooie driehoek wordt.

Na een paar dagen bracht Dar me naar wat een formeel banket bleek te zijn. Alle hogepriesters van de grote goden (er zijn ook goden van het volk, die het volk zelf schijnt te verzinnen) waren er met hun gevolg. Ik weet hun namen niet meer, behalve die van de Vicaris van Micalacuk die er ook was. Het gesprek ging over niets, zoals ook bij ons de gewoonte is bij formele banketten. Het was opmerkelijk dat iedereen aan tafel erg begaafd was, en niemand kennelijk veel geleerd had; het waren naar onze maatstaven allemaal gezellen, behalve de Vicaris die ik ternauwernood meester kon noemen. Mij prezen ze om mijn bekwaamheid, terwijl ze zelf stuk voor stuk tenminste even bekwaam hadden kunnen zijn als ze maar goede leermeesters hadden gehad. Het lijkt erop dat ze daarvoor op mij rekenen. De Vicaris van Micalacuk heeft al een leerling van hem bij mij in de leer gedaan, een meisje van een jaar of zestien, redelijk begaafd, maar zonder enig idee van waar ze nu eigenlijk mee bezig is, zonder grondslag, zonder iets om zich aan vast te houden. Het lijkt wel of in dit land de goden zich niet met de geestelijke gaven bemoeien en de mensen maar in het duister laten tasten.

Het is een vreemd volk. En ik heb alleen nog maar dit ene huis gezien, en nog niet eens helemaal, omdat ik maar blijf verdwalen en niet aan Dar of iemand anders durf te vragen om me de weg te wijzen naar plaatsen waar ik nog niet geweest ben. Mij vinden ze even vreemd, en het heeft dagen geduurd voor mijn wasmeisjes ophielden te proberen het wit van mijn huid af te wassen. Ik begin te denken dat ik gevangen zit in een gouden kooi; een bijzonder grote, maar toch. Ik houd het nog wel even vol, maar ik weet niet hoe lang.

Gisteren werd ik wakker met de absolute zekerheid dat er iemand die ik kende vlakbij was; ik kon niet precies zien wie, wat waarschijnlijk betekent dat het òf een heel vage bekende van een van beide Gildes is, òf iemand die zich bijzonder goed verbergt, òf - en daar zou ik heel blij mee zijn - iemand die nog niet zo lang in het Gilde is en die ik daarvoor al kende, zoals de doktersleerling Imri. Er zijn meer mensen bij, maar ik zie Vurian niet die ik wel in Imri's gezelschap verwachtte, dus misschien heb ik het helemaal mis. Dayati zegt dat als het werkelijk mijn kennissen zijn, dat ze dan wel opgehaald zullen worden.

Dit land maakt me dol. Raisse, als je hier ooit komt, wees dan voorbereid. Eigenlijk lijkt het me niets voor jou, omdat je nog veel bescheidener bent dan ik; in Ildis was ik nooit erg bescheiden, maar vergeleken met wat hier normaal is is Perain Hayan een armoedzaaier, de Machtige Dienaar een asceet, en de koningin een volksmeisje.

Als je Hylti mocht zien, vertel haar dan vooral dat het me goed gaat en dat ik aan haar denk; het is allebei waar. Mijn allerhartelijkste groeten voor jou, Riei en Lyse,

"Raadsvrouwe" Arnei Arvi

[an error occurred while processing this directive]