Misschien te laat dacht ik eraan dat Dayati maar beter niet van de keizer kon horen waar we waren en waarom. Ik was er zeker van dat hij zulke andere dingen zou zeggen dan wij, dat iedereen het verkeerd zou begrijpen. Ik vroeg Moryn om me in de gaten te houden - ik sloot niet helemaal uit dat hij van de gelegenheid gebruik zou maken om zich van me te ontdoen, maar ik moest hem wel vertrouwen, want hij was hier de enige die genoeg getraind was. Ik waarschuwde hem dat ik waarschijnlijk veel moeite zou hebben om mijn lichaam terug te vinden als ik het eenmaal had verlaten, omdat dat me al een keer eerder was overkomen. Toen ging ik op zoek naar Dayati. Ze was in een draagstoel, op de kade, en ze was bijzonder boos.

Dayati schrok niet eens erg toen ik ineens naast haar verscheen, waarschijnlijk een beetje doorzichtig; daar was ze kennelijk te boos voor. Ik verzekerde haar dat ik niet voor de keizer werkte, dat we alleen maar onze intrek bij hem hadden genomen omdat we dachten dat dat onze enige mogelijkheid was. Dayati vroeg of ik kon lezen en ik zei dat ik alleen maar niets kon vasthouden. Toen hield ze me een brief voor. Het was een brief van de keizer waarin hij de priesterraad condoleerde met het verlies van Kacay en aankondigde dat hij gebruik zou maken van zijn historische recht om leden van de priesterraad te benoemen. Hij had een kandidaat voor de opengevallen plaats: mij! Hij wilde mij Machtige Dienaar maken! Ik was bijna even geschokt als Dayati. Ik deed alle mogelijke moeite om haar ervan te overtuigen dat dit zijn idee was, niet het mijne, dat ik er niets mee te maken had, niets van geweten had, en dat ik natuurlijk zou weigeren. Ze geloofde me, gelukkig.

Ik was al veel te lang buiten mijn lichaam en probeerde terug te gaan, maar Moryn raakte me kwijt, en mijn geest zweefde wat verwezen boven de kade. Dat duurde een hele tijd - in die toestand kon ik moeilijk schatten hoe lang - maar ineens zag ik een hand: die van Imri. Ik volgde haar naar onze villa. Toen ik weer wat was opgepept met kruidenthee en iets te eten, vertelde ik over de brief. Als het echt niet anders kon zou ik naar de vergadering gaan en de benoeming weigeren. Iedereen was ervoor om daar niet op te wachten, maar zo snel mogelijk te vertrekken. Faran, Ysella en Moryn gingen naar de haven om te proberen een schip te regelen, terwijl Imri alvast samen met Jhalla en Kamari onze spullen inpakte. Zelf was ik bijna niets waard en ik viel in een zware maar onrustige slaap.

Van de rest van die nacht herinner ik me maar weinig; ik was wel af en toe wakker, maar niet echt in een conditie om te denken. Moryn bleek voor één zilveren stuiver drie zwaarden gekocht te hebben, en Faran en Ysella hadden een plan om een schip te kapen door een vaarbevel te vervalsen. Ze gingen naar de admiraliteit, uitgedost als een hoer en haar pooier en met een mandje lekkers, om een echt vaarbevel te bemachtigen. Ik herinnerde me de andere Valdyanen in het paleis, een in het Gilde van Anchuk en een in het Gilde van Anshen, en probeerde ze te bereiken: als ze met ons mee wilden, moesten ze meteen komen. Na een tijdje kwamen niet alleen die twee, maar ook nog vier anderen, natuurlijk allemaal gekleed als slaven.

We gingen naar de haven, naar het schip waar Faran een vaarbevel voor had gemaakt: nummer 53. Het was een vrij klein, snel schip, lang en laag zoals alle schepen hier. Ik stelde Faran voor als mijn secretaris en liet hem het woord doen. De kapitein was verbaasd, want hij verwachtte dat hij pas over een paar dagen zou moeten uitvaren en zijn bemanning was niet compleet. Hij stuurde de bootsman om er zoveel mogelijk uit de kroeg te halen, maar meer dan een stuk of vier kwamen er niet. Nu kwam het natuurlijk goed uit dat we zes matrozen bij ons hadden, ook al zagen die er op het ogenblik uit als de slaven van de raadsvrouwe. De "slaven" zetten al onze kisten in het ruim en ook wij namen daar onze intrek, tenminste iedereen die geen zeeman was. Moryn, Ayran en de zes Valdyaanse matrozen werden meteen ingeschakeld bij het werk. De kapitein kwartierde mij in zijn eigen hut in, de enige op het hele schip. Later haalde hij ook de anderen uit het ruim, zodat het nogal krap werd.

Het schip voer in noordoostelijke richting met het eerste getij, zoals Faran in het bevel had geschreven. De kapitein dacht dat ik ver van de stad een grote toverkunst zou gaan doen. Dat hielden we een paar dagen vol, maar allengs kwamen we buiten de gewone vaarroutes en de kapitein werd ongerust. Ik overlegde met Faran en we besloten de waarheid te zeggen.

We vroegen de kapitein naar de hut te komen die eigenlijk van hem was maar die wij nu in gebruik hadden, en ik vertelde hem onomwonden dat het bevel om te varen niet van de keizer kwam, maar dat wij het schip gekaapt hadden. Hij was natuurlijk woedend en greep naar zijn zwaard, dat nog steeds in de hut aan de muur hing, maar Imri stond tussen hem en het wapen, en Moryn, Faran en Ayran hadden ook zwaarden. De kapitein zag ook wel in dat wij in de meerderheid waren en dat hij ons niet zomaar overboord kon zetten en het er levend af brengen. Ik bood ieder van de matrozen een goudstaaf uit het kistje om een nieuw bestaan op te bouwen na aankomst in Valdyas, ook al wist ik zelf dat het niet al te netjes was om ze op die manier om te kopen. Ook daar viel de kapitein niet voor, maar hij koos eieren voor zijn geld en beloofde ons heelhuids in Valdyas af te leveren.

Iedere dag letten we nauwgezet op of de schepen van de keizer ons niet aan het inhalen waren, maar de enige schepen die we zagen waren Valdyaanse, die zo snel als ze konden de steven wendden als ze ons zagen aankomen - voor hen zagen we er natuurlijk uit als kapers.

Tenslotte verscheen er een witte kust aan de horizon, die Moryn meteen herkende als die van Idanyas. Hij en ik zouden daar niet in komen, voorspelde hij, Idanyas was uitsluitend van het Gilde van Anshen. Op de witte kust verscheen een zwarte rots, of misschien een zwaar stenen fundament, met een stad erop gebouwd, ook al wit. Dat was volgens Moryn Dol-Rayen, de hoofdstad van Idanyas.

Idanyas was nog niet in het zicht of we zagen twee snelle schepen die ons probeerden in te halen. De keizer was zelf niet aan boord, hij had het waarschijnlijk te druk met de Kas. Onze kapitein zette koers naar de stad, die aan de monding van een rivier lag, terwijl Imri en Kamari en ik kruisboogpijlen met lappen en pek omwikkelden. De schepen kwamen dichterbij, en we gebruikten onze pijlen; Imri slaagde erin een zeil in brand te schieten. De achtervolgers schoten ook, en ik zag Ayran, de matroos van het Gilde van Anchuk, overboord slaan met een pijl in zijn borst.

Er lagen veel schepen in de haven, waarvan sommige ons probeerden tegen te houden. Ik zocht op de schepen iemand die mij kon horen, en vertelde wie wij waren. Hij protesteerde dat we van het Gilde van de Naamloze waren - toch zeker alleen Moryn en ik - maar ik zei dat wij op dit moment vluchtelingen waren. Na een tijdje, toen het duidelijk werd dat we werkelijk in gevaar waren, lieten ze ons door; net op tijd, want het schip van de keizer ramde ons midscheeps. De pijlen vlogen nog steeds overal, en ik voelde dat ik geraakt werd, en vanaf dat moment wist ik niets meer.