In de villa waar we werden ingekwartierd bleek nog niet op ons gerekend te zijn; er waren maar een paar meubels, niets te eten, geen brandhout, niets. We besloten maar wat hout te sprokkelen zodat we tenminste water konden koken en kruidenthee zetten. In de binnentuin groeide genoeg en hier was niemand om te protesteren.

Kamari vroeg Imri wie van hen beiden het huishouden zou doen. Ik kwam kennelijk niet in aanmerking, omdat ik niet getrouwd was. Ik protesteerde zwakjes dat ik al negen jaar weduwe was en dat ik wel degelijk een huishouding kon besturen, maar dat was geen argument voor Kamari: ik was op dit moment niet getrouwd en daar kwam het op aan. Ze werden het erover eens dat Kamari veel capabeler was, en ze begon meteen de zaak in handen te nemen. Op dat moment kwam er een stoet mensen met meubels, stoffering en voorraden, vergezeld van een officieel uitziend persoon die zich verontschuldigde dat er nog niets was: werk genoeg voor Kamari dus, en ze kweet zich ervan met duidelijk plezier.

Even later kwam er ook een dame met een stel bedienden, alle kleuren en allemaal jong. Daar wilde Kamari mijn hulp wel bij hebben, om te zien wie er te vertrouwen was. Ik wees er een aan die er wel bijzonder onbetrouwbaar uitzag, en daar was ze het mee eens; twee leken begaafd te zijn, en die wilde ik graag in dienst nemen, al weet ik niet of we daar ook iets aan zullen hebben.

Ayran en Phuli gingen er al snel samen op uit, en ik vond ze bij de haven, waar volgens Moryn het dorp van de zeelieden was. Moryn wist ook dat het niet veel kwaad kon en dat ze hooguit in het bordeel binnen zouden lopen en mensen aan het schrikken maken - ik kan me niet voorstellen dat ze zelf zouden schrikken, daarvoor heeft Phuli te veel meegemaakt, en Ayran is ook niet zo gauw geschokt. Laat in de middag werden ze inderdaad thuisgebracht door een schaars geklede dame, van wie het beroep gemakkelijk te raden was.

Bij het avondeten werd geen vlees opgediend, zelfs niet voor degenen van ons die nog steeds vlees wilden eten. Ik merkte op dat dat niet meer nodig was, ik vond zelf immers ook dat ik niet meer gebonden was aan de gebruiken van het huis van Dayati, en wilde het personeel ter verantwoording roepen, maar het bleek het idee van Kamari te zijn: zij had laten koken wat ze zelf lekker vond. Ik verontschuldigde me; z�j was hier de huisvrouw!

Moryn bleef maar om mij heen hangen, tot ik hem uiteindelijk meenam naar de kamer waar Kamari me had ingekwartierd en vroeg wat ik voor hem kon doen. Hij vroeg me om zijn meesterslintje. Hij zag mij nu natuurlijk als zijn meester, met niemand anders in de buurt. Ik vroeg hem om goed naar me te kijken, ook van binnen, maar dat laatste durfde hij kennelijk niet goed. Wat hij zag schokte hem: hij vond dat hij eigenlijk met mij moest vechten. "Als het moet," zei ik, "maar dat zal ik winnen". Dat leek hem ook wel waarschijnlijk, en hij viel me niet aan maar vroeg waarom ik uit het gilde van Archan was getreden. Ik liet hem zien wat er gebeurd was bij de gezellenproef van Hylti - dat de goden zelf waren verschenen om haar te laten kiezen - en zei dat ik bij Archan alle mensen had zien staan die in zijn naam misdaden begaan hadden, en dat ik daar niet langer bij wilde horen, vooral niet bij Lydan. Moryn kon het zich voorstellen van Lydan, maar mijn argumenten overtuigden hem niet: hij zag de hele gebeurtenis alleen maar als n�g een bewijs dat Anshen een bedrieger was. Hij beschuldigde me ervan dat ik niet was overgelopen, maar alleen weggelopen; en ik moet bekennen dat ik dat ook geregeld denk.

Vanaf dat moment liep Moryn rond in een bijna zichtbare wolk van boosheid. Niets dat ik zei kon hem van het idee af brengen dat ik een verrader en een lafaard was, en hij was er nog steeds niet uit of hij zou vechten. Ik liet hem maar even in zijn eigen sop gaarkoken en keek rond in het paleiscomplex. Daar zag ik nog een paar begaafde Valdyanen, die ergens in het paleis werkten; ik maakte me bekend en beloofde hen te zullen opzoeken als ik de kans kreeg. Dat deed me eraan denken dat ik de keizer nog niet gezien had, en het leek me nuttig om dat zo snel mogelijk te doen.

Die avond was het heerlijk weer, en we zaten nog lang in de binnentuin. Faran en Kamari gingen samen in het bos wandelen. Ayran vroeg Moryn hem schermen te leren, en ze oefenden met stokken. Zelfs Sugunda kwam uit haar kamer toen haar kind sliep en koesterde zich in de zwoele avondlucht.

De volgende ochtend vroeg kregen we weer bezoek: van de prins die de keizer mij al meer dan eens beloofd had en die ik even zo vaak had afgeslagen. Hij kwam drie kisten met geschenken brengen van "Zijne Keizerlijke Majesteit en Hare Keizerlijke Hoogheid" - ik wist niet eens van het bestaan van een keizerin, maar er bleek er wel degelijk een te zijn; nog geen nageslacht, helaas, volgens de prins. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om de prins te vragen of hij een ontmoeting met de keizer kon arrangeren. Ik zou Imri meenemen, want alleen verschijnen kon wel eens onverstandig zijn, en Faran of Moryn leken me gezien de smaak van de keizer niet zo'n beste keus. Hij beloofde ons na het middagmaal te laten halen.

De eerste kist zat vol gewaden, waar Imri, Kamari, Ysella en ik ons meteen mee begonnen uit te leven. Ze waren allemaal van zijde en andere kostbare stoffen, zware geborduurde en ijle als een sluier, in alle kleuren behalve wit. Kamari vond dat ik maar paars moest dragen, maar dat ging me toch te ver. Ysella werd wel in het paars gehesen, wat een beetje merkwaardig stond bij haar rode haar, maar ze zag er wel erg voornaam uit. Imri zocht iets groens uit, wat prachtig stond met haar geborduurde jak er overheen.

De tweede kist bevatte allerlei potjes en flesjes met zalf en reukwerk, en ook flessen wijn, waaronder Valdyaanse. Volgens Faran was er wijn uit Erday bij van meer dan honderd jaar oud. We vroegen ons af of die nog te drinken was, en besloten dat 's avonds te zullen proberen.

In de opwinding over de twee eerste kisten vergaten we helemaal de derde, een klein loodzwaar kistje dat op slot zat, maar gelukkig was de sleutel eraan vastgemaakt. Het zat boordevol goudstaven. Nuttig; ik denk dat de keizer er geen idee van had hoe nuttig.

Imri en ik kleedden ons aan voor het bezoek aan de keizer; ik hulde me in het rood, Imri weer in groen en wit, en Kamari maakte ons op en smeerde ons in met lekkere geurtjes. Er kwam een kleine open draagstoel om ons naar het keizerlijk paleis te brengen. Intussen gingen de anderen naar de haven om de schepen te bekijken.

De keizer zat in zijn werkkamer, een half open vertrek aan een galerij. We wisselden wat beleefdheden uit over de geschenken: als ik gewend was wit te dragen, zou hij me natuurlijk ook witte gewaden sturen. Ik vroeg hem onomwonden wat hij nu werkelijk van mij verwachtte; ik had al bedacht dat hij geen enkel idee had van wat ik eigenlijk kan, en hij zou misschien erg teleurgesteld zijn als hij merkte dat ik niet de stad voor hem kon innemen door toverij, of de hele priesterraad uitschakelen. Hij scheen vooral te verwachten dat hij in aanzien zou stijgen door mij aan zijn kant te hebben. Ik kon zo gauw geen diplomatieke manier bedenken om hem duidelijk te maken dat ik niet van plan was me tegen de priesterraad te keren en voor hem partij te kiezen, dus draaide ik om de zaak heen, en hij draaide om de zaak heen, en we kwamen niet verder. Het kon zelfs zijn dat de keizer wel degelijk dacht dat ik onvoorwaardelijk aan zijn kant stond. Hij had het er in elk geval over dat hij een uitnodiging voor ons allebei voor de vergadering van de priesterraad zou regelen. Ik ging weg met het sterke vermoeden dat hij toch nog steeds te hoge verwachtingen van mij had.

We kwamen ongeveer gelijk met de anderen terug in de villa. Zij hadden de haven gezien en vastgesteld dat alles streng bewaakt werd. Ayran en Phuli gingen er meteen weer samen vandoor, en ik beloofde hen na een paar uur te komen halen. Aan het eind van de middag ging ik met Faran naar een strandje waar ze aan het zwemmen waren. Phuli bedekte schielijk haar magere lijfje toen ze Faran zag. Wij gingen ook nog in zee - Faran bleek ook te kunnen zwemmen, wat me achteraf niet eens verbaast als hij uit de buurt van Lenay komt. Op weg naar huis zagen we een vreemd bouwsel, een enorme halfronde trap met uitzicht op zee. We wisten geen van allen waar dat voor diende, maar we konden erop zitten en naar de schepen kijken.

We vielen midden in een gesprek tussen Moryn en Ysella over "het Gilde" en het was duidelijk dat het over het Gilde ging waar ik het grootste deel van mijn leven bij heb gehoord, en Moryn nog steeds. Ineens had ik een sterk besef van de aanwezigheid van Anshen en Anchuk; ze keken alleen maar, maar ik kreeg er koude rillingen van. Sugunda, die erbij zat, vroeg of ze iets voor me kon doen. Ik vroeg welke goden ze kende. Ze begon met 'Dayati en Talay', daarna een aantal goden van wie ik gehoord had en een paar van wie ik nog nooit gehoord had. Ik legde haar uit dat ik de dienst van Anchuk had verlaten, en dat ik dacht dat hij nu misschien wraak wilde nemen. Ze zei dat ik een heks nodig had als ik last had van goden, dat zou er wel een eind aan maken. Zij zou wel een goede heks voor me vinden. Ik weet niet of ik daarin mee moet gaan, wie weet raak ik mijn gaven wel kwijt, net als Ysella. Misschien moet ik mijn eigen strijd voeren met Anshen en Anchuk, in ieder geval voordat ik weer in Valdyas ben en het onvermijdelijk is om aan een kant te staan.