Ik vond mijn jonge priester, Chara Kalo, inderdaad ergens in de zaal en vroeg hem ten dans. De avond liep op zijn eind, en ik had al veel mensen zien vertrekken. Chara Kalo vroeg of ik van plan was op te blijven voor het vuurwerk, maar daar had ik nog nooit van gehoord, laat staan dat ik wist of ik wilde opblijven. Hij legde uit dat er dan prachtige lichtverschijnselen aan de hemel gemaakt worden, en dat het beslist de moeite waard is op ernaar te kijken. Ik nodigde hem uit om er op mijn binnenplaats naar te kijken, als we het daar tenminste zouden kunnen zien, en hij ging mee.

Toen we door de slaapkamer van Talay en Dayati kwamen, zagen we dat Kacay daar op bed lag. Een meisje wuifde hem koelte toe met een grote waaier. Hij sliep, maar niet erg rustig, en zag asgrauw.

We waren nog niet op mijn binnenplaats of het vuurwerk begon. Wat Chara Kalo er niet bij had verteld was dat er behalve lichtverschijnselen - allerlei patronen en figuren, inderdaad prachtig om te zien - ook erg veel lawaai en stank aan te pas kwamen, het leek wel een alchemistenwerkplaats! Toen Chara Kalo naar huis ging vroeg ik hem om nog eens over de goden te komen praten, en hij had daar wel zin in: ik zou hem in het kantoor van Dayati kunnen vinden. Natuurlijk, hij was immers haar secretaris, maar daar had ik niet aan gedacht.

De volgende ochtend was iedereen natuurlijk laat wakker. We kregen allemaal een klein broodje, gebakken van het meel dat was gemalen van het graan dat op het feest gedorst was. Toen ik bij Faran, Imri en Ysella kwam, kon ik twee kersverse echtparen gelukwensen: Imri en Jhalla waren de vorige avond getrouwd, evenals Faran en Kamari. Jhalla had een prachtig wit geborduurd jak voor Imri gemaakt, precies op maat. Ook Dayati en Talay kwamen feliciteren, en onthieven Jhalla en Kamari officieel uit de slavernij.

Een tijdje later kwam iemand Imri ophalen, omdat Kacay naar haar gevraagd had. Jhalla vond het maar niets, maar hij was al lang gewend dat Imri te pas en te onpas werd weggeroepen. Ysella werd ook gehaald, en na een poosje kwam er een dienstmeisje aan, helemaal overstuur: ze was op zoek naar Talay en Dayati, want Kacay was vergiftigd. Faran en ik gingen ook naar de kamer waar Kacay was, en hij zag er inderdaad heel slecht uit. Imri had geconstateerd dat hij een beroerte had gehad, en vermoedde ook dat hij iets verkeerds had gegeten, en het meisje had het woord "vergif" opgevangen en dat door het hele huis geschreeuwd. Aan de paniek was niets meer te doen.

Imri en Ysella deden verwoede pogingen om iets voor Kacay te doen, of er in ieder geval achter te komen of er werkelijk sprake was van vergif, maar zelfs met mijn kracht erbij lukte het niet. Ik ben ook geen dokter, zodat ik weinig kon zien en nog minder kon doen. Kacay vroeg naar zijn leerling Kamari; toen ze kwam zei ze dat hij al eerder zulke aanvallen had gehad, maar nooit zo erg als nu.

Inmiddels waren Talay en Dayati gealarmeerd. Toen Imri haar vermoeden uitsprak dat Kacay behalve de beroerte ook iets verkeerds had gegeten, was Talay's eerste reactie precies zoals die van mij was geweest: hij wilde Dayapati spreken. Dayati deed veel moeite om haar te roepen zoals ik haar geleerd had, en het lukte haar om een heel zwak signaal te sturen. Kennelijk kwam het wel aan, want Dayapati verscheen, verbaasd en boos. Ze zag dat Kacay ziek was; nou èn, hij was oud, hij zou wel sterven. Wat had zij daarmee te maken? Talay zei, en daar sloot ik me bij aan, dat het Dayapati wel erg goed zou uitkomen als Kacay juist nu zou sterven. Dayapati wees dat alles briesend van de hand en verdween.

Ondertussen probeerde Faran uit te zoeken of er iets in de wijn had gezeten, en wie Kacay aan tafel had bediend, maar hij kwam niet veel verder. Wel kwam hij erachter dat alle huizen bedienden hadden uitgeleend, behalve het keizerlijk paleis.

In de middag stond er ineens een boodschapper van de keizer voor mijn neus, die zei dat de draagstoel voor stond. Ik herinnerde me de uitnodiging om naar zijn boot te komen kijken, die ik ook had aangenomen, maar zo vlug had ik het niet verwacht. Ik legde een zegel over Kacay en Kamari heen, liet Kamari zien hoe ze er doorheen kon, en liet me naar de draagstoel brengen, samen met iedereen die ik niet met goed fatsoen kon achterlaten. Het werd nog een heel gezelschap: Faran en Kamari, Imri en Jhalla, Ysella, Ayran, en onze persoonlijke bedienden, die niet wilden achterblijven. De bedienden pasten niet meer in de draagstoel, dus die liepen er achteraan.

De draagstoel was een enorm open gevaarte, net een wagen zonder wielen, gedragen door zes sterke mannen die er behoorlijk de pas inzetten. Het duurde toch nog meer dan een uur voor het keizerlijk paleis in zicht kwam. Onderweg kwamen we langs een paar heel arme wijken, en werden meteen omspoeld door bedelaars die om "paisa" riepen. Er klom zelfs een jongetje in de draagstoel, dat mij bij de naam noemde en een briefje liet vallen. Het briefje bleek van Layavati te zijn:

"Aan Arnei Arvi Parisajatar,

Ik laat u deze brief brengen door mijn zoon, omdat ik hem kan vertrouwen. Ik wilde u waarschuwen voor Dayapati. Gisteravond zag ik dat er iemand uit ons midden sterven zou; vanochtend heb ik bepaald dat het Kacay zal zijn. Als Kacay er niet meer is zal Dayapati de macht in de raad hebben en moet ik haar steunen. Zij zal u beschuldigen van de dood van Kacay.

Layavati Yomurdis Sithi Sagga,
Vicaris van Nahasagga."

Dat had haar dus gisteravond dwars gezeten, niet het gesprek over gildezaken. Ik begreep niet goed waarom ze Dayapati zou steunen en mij toch waarschuwde, en ik had van Dayapati eigenlijk wel verwacht dat ze de schuld op mij zou schuiven, maar ik was Layavati evengoed dankbaar. Ik waarschuwde Imri dat Kacay het niet zou halen, maar liet niemand de brief lezen en stopte hem onder mijn kleren.

We kwamen aan bij een immens ommuurd terrein, met gebouwen en open ruimte, als een stad met een enorm park erin. Daar gingen we langs, met aan de andere kant een haven waar allerlei grote roeiboten en zeilboten lagen, groter dan Ayran kende, die toch maandenlang op zee had gevaren. Op de kade waren allerlei groepen soldaten aan het oefenen. Op het eerste gezicht leek afgezien van Imri, Ysella en mijzelf niemand begaafd te zijn, tot ik opeens iemand opmerkte die niet alleen begaafd was maar zelfs getraind, net meester - een Valdyaan! Ik maakte me bekend, en hij bleek me zelfs te kennen. "Arnei Arvi! Archan zij geloofd!" zei hij. Het was Serlei Morin astin Eraday, die ik me herinnerde van een paar jaar geleden toen hij zich als pas in Ildis aangekomen studentje bij me kwam melden. Hij zat op het schip van de keizer, en ik beloofde dat we elkaar later zouden spreken.

Het schip van de keizer was ook een zeilschip, minder groot dan sommige andere die we in de haven gezien hadden maar veel langer en iets smaller dan Valdyaanse schepen, met drie masten en een scherpe punt van voren. De keizer ontving ons aan boord en liet ons wijn inschenken door een wel heel Valdyaans uitziende jongeman, die dan ook Morin bleek te zijn. Volgens de keizer had hij schipbreuk geleden en had hij hem zelf gered; later, toen de keizer bevelen ging geven om uit te varen had ik de kans Morin te spreken, en hoorde ik een heel ander verhaal. Het keizerlijke schip had dat van Morin geramd, en toen Kukur de knappe Morin zag had hij geprobeerd hem te verkrachten. Daar moest Morin niets van hebben, en hij had geprobeerd hem geestelijk aan te vallen. Hij had daar al zijn kracht bij gebruikt zonder dat het enig effect had, behalve dat Morin zelf het bewustzijn verloor. Toen hij bijkwam bleek dat hij meer dan een dag buiten kennis was geweest, dat hij zijn meesterproef gedaan had, en dat de keizer hem verder met rust liet.

Toen we eenmaal op zee zaten bood de keizer aan mij op de boot rond te leiden. Ayran had hij al eerder een paar dingen laten zien, en hem een kapiteinspost beloofd als wij bij hem zouden komen wonen, maar daar had Ayran helemaal geen zin in. Kukur bleek redelijk Valdyaans te kunnen spreken - we moesten op onze woorden passen! Hij wees ook wel het een en ander aan, maar praatte de hele tijd over zijn plan om mij bij zich in huis te nemen zodat ik hem zou kunnen helpen tegen de priesterraad. Ik bleef erbij dat ik tegen de meeste leden van de priesterraad helemaal niets had, en dat ik niet van plan was iets te doen dat Talay en Dayati zou benadelen. Hij scheen zo zeker te weten dat ik niet lang meer in het huis van Dayati zou kunnen blijven, dat ik hem vroeg wat hij wist dat ik niet wist, maar daar gaf hij geen duidelijk genoeg antwoord op.

Na de boottocht werd er in de grote zaal van de keizer een maaltijd geserveerd: er kwamen grote beesten op tafel, zo te zien varkens. Ysella kreeg na enig aandringen een schoteltje groente. Ik vroeg of deze beesten geen wraak zouden nemen, maar de keizer deed dat af als bijgeloof. We werden aan de maaltijd een paar keer onderbroken door officieren die verslag kwamen uitbrengen van gevechten bij de forten langs de rivier, met mensen die de Kas werden genoemd. Ook bij de matrozen waren Kas, maar volgens de keizer waren dat huurlingen, geen vijanden.

Kukur deed nog meer moeite om mij aan zijn kant te krijgen: hij bood me zelfs een prins aan, maar het bleek de al te mooie dikke man te zijn die zijn eerste boodschap had overgebracht, en ik wimpelde het aanbod zo beleefd mogelijk af. Dat was niet erg, volgens de keizer, ik kon er op mijn gemak over denken, en als ik hem wilde bereiken moest ik maar een bericht laten sturen door Afim in de keuken, dat kwam dan wel bij hem aan.

Voor we teruggingen had ik nog wel een verzoek: die Valdyaanse jongeman, kon hij die missen? Ik zou hem graag in dienst nemen als mijn persoonlijke bediende. "Hij is van u", zei de keizer, en Morin werd gebracht, in een bruin slavenhemd aan en met de handen op de rug geboeid. Ik gaf meteen bevel om hem los te maken en iets fatsoenlijks aan te trekken, en dat gebeurde. Hij zat bij ons in de draagstoel - Ayran had hem zijn plaats afgestaan - en vertelde zijn lotgevallen nog eens uitgebreid. Kennelijk zag hij aan mij niets bijzonders, maar misschien was hij zo opgelucht om mij te zien dat het niet opviel. Ik gaf hem de raad zich te beschermen als we in het huis van Dayati waren en liet hem zien hoe de mensen hier begaafd waren; hij wist niet wat hij zag.

Het was al laat op de avond toen we terugkwamen in het huis van Dayati. Ik stuurde Morin met Ayran mee naar mijn binnenplaats, met instructies om uit het zicht te blijven tot ik terug was, en ging samen met Imri kijken hoe het met Kacay was. Het was duidelijk dat hij niet lang meer zou leven. Eigenlijk was hij er nu al niet meer, al ademde zijn lichaam nog. Ik zei tegen Kamari dat ik niet wist wat zij precies geloofden, maar dat wij zouden zeggen dat hij al bij de goden was, en daar was ze het mee eens. We lieten Talay komen, die ik de brief van Layavati liet lezen, en hij beaamde dat zij gelijk had en dat we zouden moeten vertrekken voordat Dayapati te weten kwam dat Kacay dood was. Ze zou er niet voor terugschrikken om het huis te belegeren en binnen te vallen om ons in handen te krijgen. Dayati en - op mijn verzoek - Chara Kalo werden gehaald, evenals Faran en Ysella, en we hielden een conferentie.

Talay kon de dood van Kacay nog een dag of twee, drie verborgen houden. Ik zei dat ik een uitwijkmogelijkheid had en dat we de volgende dag zouden vertrekken. Faran had weinig medelijden met Talay, en Talay zei dat hij hoopte dat Faran dan wel begaan was met Síth. De schrik sloeg me ineens koud om het hart en ik had visioenen van een brandend huis waarin talloze onschuldige mensen en kinderen zouden omkomen, allemaal door een valse beschuldiging. Ik drukte Dayati en Kamari nog op het hart niet te vergeten wat ik hen geleerd had, en probeerde Chara Kalo nogal onhandig duidelijk te maken dat ik hem beter had willen leren kennen, maar dat ik nu eenmaal erg langzaam in die dingen was. Hij stelde voor om uitgebreid afscheid te nemen, en ik nam hem mee naar mijn bed dat ik ontdeed van protesterende poezen en peuters. Síth, ik zal je missen, maar vannacht kan ik je niet gebruiken!

Aan de keizer had ik nog een klein briefje geschreven dat ik zijn aanbod graag wilde aannemen en verwachtte dat hij ons de volgende dag zou uitnodigen voor een rijtoer.

Na een nacht met bijzonder weinig slaap (het schijnt dat de anderen nog uren met Talay hadden gepraat over de verdeeldheid in de priesterraad en de militaire situatie - dat hoor ik allemaal nog wel) waren we onze spullen aan het inpakken, toen iemand het bericht bracht dat Dayapati en haar soldaten al voor de deur stonden. Farans voorman, de enorme Bhimal, bracht ons naar de glasblazerij en wees ons een geheime gang achter de oven. Morin, de sterkste, droeg Sugunda, en ik pakte de kleine Ayran. Onze gewone kleren bleven liggen, om het te laten lijken dat we er nog waren. Op het laatste moment dacht ik aan mijn tas en vroeg Boko die te geven. "Je dienst is voorbij, dank je wel!" zei ik, en hij bleef stomverbaasd achter.

Aan het eind van de gang stond Dayati met nog wat van onze persoonlijke bezittingen - het witte jak van Imri, het kistje dat de anderen naar Iss-Peran moesten brengen - en een beurs met geld voor Sugunda, Jhalla en Kamari om een zelfstandig leven te beginnen. Ze zegende ons allemaal, zelfs Faran die er eigenlijk niet van gediend leek te zijn. Ze had wel gedacht dat we deze route zouden nemen, en Talay hoefde het niet te weten. Toen gingen we door een luik en stonden buiten, in de stad. Ik maakte ons allemaal onopvallend, en inderdaad, niemand scheen ons op te merken, hoe ongewoon we er ook uit moeten hebben gezien. Phuli wist de weg naar het keizerlijke fort wel. Die leidde langs de plaats waar zij en Sugunda vroeger gewoond hadden, een plekje onder een afdak, dat nu natuurlijk al lang door iemand anders was ingenomen.

Bij het fort van de keizer wilden de soldaten ons eerst helemaal niet binnenlaten, maar toen ik zei wie ik was en dat ik met klem was uitgenodigd mochten we in het wachtlokaal wachten tot na een half uurtje een officier verscheen die zei dat de keizer verheugd was dat wij zijn aanbod hadden aangenomen. We werden in een villa in het park ondergebracht, een groot vierkant huis met een klein binnenplaatsje, en er werden ons bedienden beloofd die we zelf mochten uitzoeken - misschien allemaal spionnen, maar dat was van later zorg.