Na nog een paar dagen koortsachtige voorbereidingen - er verschenen steeds minder bedienden, ze stonden niet meer telkens klaar nog voordat ik iets kon vragen, eigenlijk een verademing - was het dan eindelijk het feest van Dayati. Toen ik opstond lagen er witte kleren klaar die ik nog nooit gezien had, een heel speciale snit waar Godavari me mee moest helpen. Toen ik op de binnenplaats kwam zag ik dat werkelijk iedereen in het wit en in het nieuw was, ook de bedienden. Het ontbijt was gemeenschappelijk, er bleek op het feest geen verschil tussen bedienden en andere mensen te zijn. Ook voor Sugunda was er iets wits om aan te trekken. Daar moest Godavari haar ook mee helpen, wat ze eigenlijk niet wilde, maar ik kon haar ervan overtuigen dat het de enige manier was door te zeggen dat ze mij ook in mijn kleren had moeten hijsen.

Na een tijdje begonnen mensen onrustig te worden: het was tijd om Dayati te gaan oogsten! Er ontstond een algemene beweging in de richting van het grote voorplein, er kwamen steeds meer mensen bij, ook Imri en Faran en Ysella met iedereen van hun binnenplaats. Alleen Sugunda ging niet mee, die bleef in haar kamer met de kleine Ayran toen de grote Ayran haar had verzekerd dat alles hier veilig was. Het voorplein zag wit van de mensen. Uiteindelijk zagen we ook Dayati en Talay, die de menigte aanvoerden, Ze hielden een toespraak die niemand verstond, bovendien praatte iedereen er doorheen, wijzelf overigens ook. Ze waren ook veel te ver weg om te verstaan. Het hele huishouden ging in optocht naar het tempelplein, met vaandels en versieringen, allemaal in witte kleren. Het tempelplein was tot onze verbazing helemaal leeg toen wij er aankwamen. Iemand kon ons vertellen dat alle anderen buiten moesten wachten tot wij binnen waren, omdat dit immers het feest van Dayati was.

Zodra iedereen in de tempel was begon daar een dienst die zelfs voor de mensen van hier kennelijk onbegrijpelijk was. Dayati en Talay waren op de sokkel van het grote beeld geklommen. Ze waren goed te zien, want er was een flink stuk van het dak open, een enorm luik, waardoor behoorlijk wat licht naar binnen kwam. Na een tijdje was Dayati ineens verdwenen. Ze kwam terug op een draagbaar, helemaal ingepakt in een dikke laag korenhalmen. Er kwamen mannen die haar begonnen te ranselen met dorsvlegels, zo hard dat Imri zich afvroeg of er misschien ieder jaar een nieuwe Dayati was; we kenden deze immers nog geen jaar? Na een hele tijd - waarin Dayati voorover gebogen had gezeten en zich niet had bewogen - hielden de dorsers op. Dayati stond op en schudde de halmen van zich af. De doek waarop ze had gestaan lag vol graan, dat nu nog fanatieker werd gedorst. Tot slot werden alle graankorrels verzameld, waarna de dienst was afgelopen. We gingen met ons allen de tempel weer uit, deze keer heel wat langzamer, want Dayati en Talay liepen nu achteraan in plaats van vooraan. In het huis verspreidde de menigte zich weer, iedereen naar zijn eigen plaats.

Toen was het mijn beurt om dik ingepakt te worden in graan, en Dar deelde dorsvlegels uit. Ik volgde Dayati's voorbeeld en hield mijn armen voor mijn gezicht, maar het pak halmen was zo dik dat het nauwelijks pijn deed. Ik voelde de slagen wel - ze hielden zich niet in - maar ik zou er waarschijnlijk niet eens blauwe plekken aan overhouden. Ik vroeg wat er met het graan gebeurde: het werd gemalen, en er werden broodjes van gebakken.

Na het dorsen begon werkelijk het feest, nog steeds voor iedereen zonder onderscheid. Ik danste met Dar en met nog een paar anderen. Toen de buren op bezoek kwamen danste ik ook nog met Faran, en tegen het eind van de middag vond ik mezelf tot mijn verbazing in de armen van Talay, die samen met Dayati alle binnenplaatsen afging. Hij vroeg of wij vanavond in de grote zaal kwamen eten, en ik beloofde te komen als ik ook Ayran en Phuli kon meenemen. Dat was geen probleem, hun eigen kinderen waren er ook en ze konden dan aan de kindertafel zitten. Ik stelde me voor hoe Phuli zou passen tussen de beleefde kinderen van Talay en huiverde een beetje; ik moest Ayran maar op het hart drukken dat ze zich allebei moesten gedragen, omdat ze anders meteen teruggestuurd zouden worden.

Ik had me geen zorgen hoeven maken, want de tafel met de kinderen was al een even ongeordend zootje zonder onderscheid als het ontbijt op mijn binnenplaats was geweest. Ayran en Phuli vielen er nauwelijks op. De volwassen gasten zaten aan andere tafel, kennelijk met zorg geschikt. Behalve de hogepriesters van alle goden, en wij vieren, was er een rijk geklede, vrij jonge man met een wat onnozel glad gezicht, die de keizer bleek te zijn. Ik zat tussen hem en de vicaris van Micalacuk in, en schuin tegenover Dayapati die naast Faran zat.

Ik praatte eerst met Kacay over zijn leerling Kamari en wat ik haar allemaal al geleerd had. Hij was een beetje bezorgd dat mensen die van mij geleerd hadden ook met de geest aangevallen zouden kunnen worden, omdat ik nogal onhandig had uitgelegd dat wij de begaafde mensen in Solay niet kunnen aanvallen omdat ze niet getraind zijn; het was blijkbaar niet duidelijk dat je ook leert je te verdedigen, en dat de verdediging meestal sterker is dan de aanval. En niemand hier kan met de geest aanvallen, dat leer ik mijn leerlingen ook met opzet niet. Behalve Ysella, die het van Loryn zou kunnen weten, weten ze waarschijnlijk helemaal niet dat het kan. Misschien is het een gemene gedachte, maar ik maak me sterk dat als Dayapati het kon, dat ze het dan al lang een keer gedaan zou hebben.

Toen sprak de keizer me aan - hij denkt nog steeds dat ik een machtige magi�r ben, of dat ik in ieder geval benul heb van politiek of me daarin wil mengen. Hij gaf me een heel andere kijk op de brand in Klein Valdyas, die me nog meer doet denken dat het uiteindelijk mijn schuld was: het leger, de soldaten van de tempel van Anasagga, schijnen de Valdyanen belet te hebben zich te redden door in zee te springen, maar ze hebben teruggedreven naar de brandende huizen.

Verder zat hij te vissen over de priesterraad, maar ik heb genoeg van raadsintriges, daar heb ik in Ildis meer dan mijn deel van gehad. Hij was wel heel vriendelijk, en vertelde eindeloos over zijn nieuwe liefhebberij, zijn roeiboot. Hij nodigde me zelfs uit voor een boottochtje - ik weet niet of hij slim genoeg is om dat bedoeld te hebben als een manier om mij ongestoord te spreken zonder dat iemand ons kan afluisteren, wat ik lang geen slecht idee vind.

Ondertussen zat Dayapati behendig Faran uit te horen over Valdyas, de handel, en onze plannen. In feite was ze aan het flirten met een duidelijk doel, al weet ik niet of het Faran ook duidelijk was. Toen ik later Kamari zag, stond ze zowat te ontploffen van woede: zij had ook het flirten gezien. Faran is nogal ontvankelijk voor dat soort dingen, en ik weet niet hoe ver hij zijn mond voorbij heeft gepraat. Wie weet wist Dayapati alle feiten al lang, en wilde ze die alleen bevestigd horen uit de mond van een van ons. Ze weet natuurlijk dat ze daarvoor niet bij mij hoeft te komen - wij waren uitermate kil tegen elkaar.

Na het eten werd er gedanst. De mensen die al op het podium zaten kwamen niet van het podium af, zodat er vrij weinig ruimte was. Faran vroeg Dayapati ten dans, en tot verbazing van de meeste andere hogepriesters stemde ze toe. Volgens Talay was het jaren geleden dat hij haar had zien dansen. De keizer danste met mij; hij was een uitstekend danser en kon ook goed leiden, maar het was onmogelijk om onder het dansen met hem te converseren. Imri danste met de vicaris van Anasagga en Ysella met die van Bahica - onder het eten had hij al geprobeerd haar het hof te maken, maar dat vond zijn echtgenote, de vicaris van Maca, heel duidelijk niet goed.

Later praatte ik nog wat met de vicaris van Anasagga en probeerde hem uit te leggen dat Anshen bij ons èn rechtvaardig èn strijdbaar is, omdat onze versie van Anchuk alleen de slechte kant van Anchuk is en eigenlijk helemaal niet meer mag meedoen. Hij vroeg zich af wat priesters van Anshen dan deden, en ik vertelde dat er mensen waren die geen priesters van Anshen waren voor de gewone misdaden en dat de Orde van Gezworenen - het dichtst bij priesters van Anshen dat we hebben - zich bekommert om misdaden met de geest. Hij zei zoiets als "dus, als ik het goed begrijp, als jij iemand aanvalt met je geest, dan mag de hogepriester van Anshen je het hoofd afslaan?" Het was heel moeilijk om precies te zeggen wat ik bedoelde, en ik geloof dat hij het nog steeds niet heeft begrepen.

Toen ik iets zat te drinken naast de hogepriesteres van Nahasagga, kwam het gesprek nogal specifiek op gildezaken - ik weet niet meer precies wat het was - en na een poosje excuseerde ze zich en ging met een plotseling opkomende hoofdpijn naar huis. Het duurde een tijdje voor het tot me doordrong dat ik kennelijk zonder het te weten iets had gezegd dat haar kwetste of in verlegenheid bracht. Daar liet ik toch de avond niet door bederven, en ging op zoek naar de jonge priester die de hele avond bij ons over de goden had zitten praten toen de anderen net waren aangekomen.

[an error occurred while processing this directive]