Toen we in mijn binnentuin zaten kreeg ik een merkwaardige bezoeker: een grote, weldoorvoede, uitzonderlijk knappe man, gekleed in een mantel die rood en blauw gestreept was zodat het uit de verte paars leek. Hij vroeg of ik Arnei Arvi Parasajatar en nog een paar van mijn titels was. Ik zei dat ik dat inderdaad was, waarop hij zich voorstelde als Jayaj en nog wat, gezant van de keizer. De keizer zou op het feest van Dayati het huis bezoeken en zou dan graag met mij spreken; zou mij dat schikken? Ik wilde die keizer wel eens zien, dus ik zei dat het me natuurlijk schikte en dat ik me zeer vereerd voelde. Jayaj maakte geluiden waar ik uit opmaakte dat hij zich ook zeer vereerd voelde, en verdween.

Even later kwam Faran binnen, uitgeput en door en door smerig. Hij had kennelijk een paar dagen achter elkaar in de glasblazerij doorgewerkt zonder tijd om meer dan een paar uur te slapen of zich te wassen. Hij liet zich uitgebreid baden en viel in zijn bed in gezelschap van Kamari. Toen hij wakker werd kwam Dar hem halen, en een tijdje later kwam hij bijzonder vrolijk terug: hij had allerlei wijn en andere dranken voor het feest mogen proeven. Verder had Dar hem laten zien hoe sterke drank werd gemaakt, door wijn te koken in een glazen ketel of iets dergelijks. Faran vroeg mij om pen en papier en schreef alles op wat hij zich ervan herinnerde, met tekeningen erbij. Ayran voegde zich bij hem in de schrijfkamer, maar wat die met hem besprak weet ik niet.

Imri ging nog even bij Sugunda kijken. Die bleek ziek te zijn: ze had koorts en vlekjes. Imri had zulke vlekjes nog nooit gezien, en ze vroeg zich af hoe besmettelijk het was, of haar zoontje het zou kunnen krijgen en of we misschien allemaal al besmet waren. Ik ging met haar mee naar de bibliotheek om te kijken of daar een boek over ziektes was. We vonden een hele plank met boeken. De bibliothecaris vroeg of we de aantekeningen van Talay wilden hebben en dat leek mij een goed idee, omdat het aantekenboek van Talay waar ik een kopie van had ook helder en bruikbaar was. Het bleek een index van de rest van de boeken te zijn. Met behulp daarvan vonden we de verschijnselen van de ziekte; volgens Imri konden alleen mannen het van Sugunda krijgen - het bleek de "hoerenziekte" te zijn, natuurlijk niet erg vreemd voor iemand in haar positie. Er stonden ook een paar manieren in het boek om de ziekte te behandelen. Bij een ervan stond in het handschrift van Dayati zoiets als "lijkt me niet verstandig"; Imri had dat ook al een vreemde behandeling gevonden.

We raadpleegden ook een boek met medicijnen tegen koorts en allerlei ziektes, want Imri kende natuurlijk alleen de Valdyaanse namen. Na een uurtje hadden we een behoorlijke lijst. Imri haalde een paar dingen in de apotheek, en toen we terugkwamen bleek dat Ysella de kruidentuin had geplunderd, zodat ze samen een werkzaam medicijn konden bereiden. Mij zetten ze aan het werk om wilgebast fijn te maken in de vijzel. Toen we daarmee bezig waren, kwam Dayati langs om te vragen of de les doorging, maar ze zag Imri en Ysella aan het werk en vroeg honderduit: zij wilde ook Valdyaanse medicijnen leren. De samenstelling van het medicijn was ongeveer wat zij er ook voor voorgeschreven zou hebben, al had ze van wilgebast nog nooit gehoord.

Tenslotte waren de dokters klaar en kon ik met mijn les beginnen. Het leek wel of Ysella nu de geest van Loryn uit haar was verdreven, lang niet zo'n vlotte leerling meer was. Misschien had Loryn-van-binnen haar toch geholpen. Ook haar Síth Kura had een zwaarder accent. De les ging desondanks erg goed; ook Kamari, de leerling van de vicaris van Micalacuk, was er weer bij. Ze leek moe en bezorgd. Na de les liep ik met haar op tot aan de poort, en ze vertelde dat het niet best ging met haar meester Kacay, hij werd oud en was vaak onberekenbaar, met heldere ogenblikken die steeds zeldzamer werden. Hij had ook brieven geschreven waarin hij bestellingen van het handelshuis van Anchuk had geannuleerd - niet eens van zijn eigen handelshuis, dat had Kamari nog kunnen begrijpen. En als hij moeilijkheden zou maken in de priesterraad zou de vicaris van Anchuk hem kunnen afzetten en een kandidaat van haar keuze voordragen voor zijn zetel. Ik begreep van Kamari dat het goed mogelijk was dat dat geen goede kandidaat zou zijn, en ik zei dat ik ook niet met Dayapati kon opschieten.

Terug in onze vertrekken vond ik Faran in een opperbest humeur. Hij plaagde Phuli en haalde een ei uit haar nek. Daar kon ze helemaal niet tegen; ze vloog hem aan, en zelfs Ayran kon haar niet tot bedaren brengen. Het was een spectaculair gevecht: de grote sterke Faran die uit alle macht probeerde het razendsnelle kluwentje klauwen en tanden te pakken te krijgen. Uiteindelijk zat ze bovenop hem en krabde een vlechtpatroon in zijn voorhoofd, dat volgens Imri een litteken zou blijven. Ayran vertelde me later, dat het bedoeld was om iedereen te laten zien dat Faran met Phuli had gevochten en van haar had verloren. Iedereen in de wijk waar Phuli vandaan kwam, had een eigen merkteken om op verslagen vijanden achter te laten.

[an error occurred while processing this directive]