We kregen Imri terug, die kon vertellen waarom ze zo lang had moeten doorwerken: veel mensen uit de omliggende dorpen naar de stad om het feest van Dayati mee te vieren, en daar waren natuurlijk ook veel zwangere vrouwen bij. Imri had inmiddels de naam gekregen dat ze goed was in moeilijke bevallingen, en dat was niet alleen meer omdat ze uit Valdyas kwam, maar ook omdat ze zich heel behoorlijk had bewezen.

Toen het bijna tijd was voor de les kwam Talay ons vertellen dat hij ons zo langzamerhand volleerd vond. Bovendien waren ze nu zo bezig met de voorbereidingen voor het feest, dat er van de lessen niet veel meer zou komen. Ik was toch al ongedurig, en dat de les niet doorging maakte het alleen maar erger. Ik was in mijn smederij toen Talay kwam, en ik werkte een uurtje door tot het daar te warm voor werd. Ik ging terug naar mijn vertrekken en bestudeerde nogmaals het boek van Talay, maar ik begreep de cijfers niet.

Daarna ging ik een eind lopen, eigenlijk zonder erop te letten waarheen, en ik kwam in de kraamkliniek terecht. Daar was Imri bezig, en Ysella was ingeschakeld om te helpen. Ik bood me ook aan als hulpje. Er was een vrouw binnengebracht die er arm en vies en ongezond uitzag, Sugunda, met een dochtertje van een jaar of negen bij zich, dat Phuli heette, al even vies en broodmager, en met felle wantrouwige oogjes. Het lukte Ysella om haar te wassen, maar toen ze haar een nieuw schoon jurkje aan wilde trekken rende het kind bloot en wel weg. Het duurde een hele tijd voor ze terugkwam, met een bloedende kuit: het meisje had haar gebeten. Het bleek dat Phuli onder geen beding een bruin jurkje aan wilde, want ze wilde geen slaaf worden, en het was Ysella niet gelukt haar ervan te overtuigen dat je niet in het huis hoefde te blijven als je bruin droeg.

Talay, die erbij was toen ik binnenkwam, zei dat Imri het verder wel alleen af kon en ging naar zijn andere bezigheden. Eerst had hij nog een poging gedaan Phuli met zijn ogen en zijn geest te dwingen; ze zag eruit of ze begaafd was, maar net als iedereen hier niets geleerd had.

Imri vertelde dat ze ook een vreemd uitziende jongen had gezien bij Sugunda en Phuli: met een rechte neus, een gebruinde blanke huid, en toen ik vroeg of hij eruit zag als een Valdyaanse jongen vond zij dat ook wel. Verder hadden we geen tijd om er langer over te praten, want Sugunda bracht met veel moeite een zoontje ter wereld. Het spande erom of ze het zou overleven, maar Imri's reputatie was kennelijk verdiend.

Uiteindelijk konden we allemaal uitrusten, en toen zag ik behalve de felle oogjes van Phuli ook een maar al te bekend jongensgezicht. Het was werkelijk Ayran. Hij was gebruind, smerig, in vodden, een enorm eind gegroeid, maar het was hem. 'Ayran?' zei ik, nog steeds niet helemaal overtuigd, en hij riep 'Moeder!' en vloog op me af. Toen ik hem in mijn armen had merkte ik pas goed hoe groot en sterk hij was geworden. Hij zag eruit als vijftien, hoewel hij nog maar net tien was. We praatten eerst Síth Kura met elkaar - hij praatte afschuwelijk plat, ik kon hem nauwelijks verstaan - en daarna Valdyaans, maar dat vond Phuli niet goed. Kennelijk dacht ze dat we een onverstaanbare taal spraken zodat zij het niet zou kunnen verstaan.

Het lukte niemand - zelfs Ayran niet - om Phuli de bruine jurk te laten aantrekken, en zelf wilde hij ook onder geen beding 'slavenkleren' aan. Sugunda wilde niet blijven, hoe erg ze er ook aan toe was; Phuli wilde niet weg bij haar moeder, Ayran wilde niet weg bij Phuli, en ik wilde Ayran het liefst bij me houden nu ik hem terug had. Imri kwam op het idee om Sugunda naar mijn binnenplaats te brengen en haar daar verder te laten herstellen, en dat gebeurde. Sugunda werd in een zijkamer ondergebracht met haar pasgeboren zoontje. Ayran ging in het bad, en Phuli erbij, hoewel ze in de kraamkliniek al onder protest was gewassen door Ysella. Er kwam een enorm geschater en gespetter uit de badkamer, en na een poosje kwam ook Tala of Kripa (ik kan ze nog steeds niet uit elkaar houden) uit de badkamer, helemaal nat. Ayran en Phuli wilden duidelijk niet gewassen worden, maar zichzelf en elkaar wassen.

Ik zorgde dat Ayran en Phuli een paar witte lappen uit mijn linnenkamer kregen om aan te trekken, en Ayran vroeg om naald en draad en naaide van de zijne een grof matrozenhemd. Phuli sloeg de lap om als een jurk en deed er iets mee waardoor het als door toverij bleef zitten.

Ondertussen was er al meer dan eens eten gebracht - het viel me op dat ik nu om eten voor mijn gasten moest vragen, terwijl de bedienden voor mij als vanzelfsprekend opdienden - en iedere keer aten Ayran en Phuli alsof het hun laatste maaltijd was. Ik kon ze niet aan hun verstand brengen dat er over een paar uur wel weer eten zou zijn, zelfs Ayran niet, die toch negen jaar lang niet anders gewend was geweest.

Eindelijk was er rust genoeg voor Ayran om zijn verhaal te ertellen. Hij was doorgevaren naar Albatire, en weer terug naar Aumen S�th, en toen het schip daar lag was de brand uitgebroken. Volgens Ayran was die aangestoken, maar hij wist niet door wie. Er waren veel meer slachtoffers dan ons was verteld, onder andere de hele bemanning van Ayrans schip behalve hijzelf. Hij was overboord gesprongen en naar het Iss-Peraanse deel van het eiland gezwommen (wat een geluk dat hij heeft leren zwemmen!) en 's nachts over de dam naar de stad gelopen, omdat hij wist dat ik daar was. In de stad kon hij moeilijk aan eten komen, omdat er geen winkels en geen markt zijn. Phuli tegengekomen toen ze door een paar kerels in elkaar werd geslagen. Hij kwam haar te hulp, en zij nam hem mee naar naar hoogzwangere moeder. Die ging toch naar het huis van Dayati, dus het was praktisch om bij hen te blijven: Ayran was inmiddels te weten gekomen wie het was die mij had meegenomen. Hij was in het huis uit het zicht gebleven, want hij wist dat hij anders zou worden opgepakt en naar de mijnen gestuurd. Ik verzekerde hem dat niemand een zoon van mij naar de mijnen zou sturen.

De volgende ochtend probeerde ik Talay te vinden, maar hij was niet in huis. Dayati was er wel, in een kantoor waar ik wel eens langs was gekomen, en had tijd om te praten. Toen ik vertelde dat mijn zoon er was, zei ze dat hij natuurlijk mocht blijven; alleen echte indringers werden naar de mijnen gestuurd. Dus Ayran had toch gelijk gehad! Ik zei ook dat Phuli begaafd was, en ik moet het Valdyaanse woord gebruikt hebben, want het duurde even voor ze me begreep; "door de goden aangeraakt" begreep ze wel, en ze zei dat het meisje dan natuurlijk priester kon worden. Dat had ik Phuli ook al verteld, maar ze had heftig gereageerd: dàt nooit!

Ayran was ondertussen opgestaan en had zichzelf gewassen. Hij zei dat hij Sugunda en Phuli wilde meenemen naar Valdyas, omdat ze alleen daar een kans hadden om te zijn wie ze waren; en misschien had hij gelijk. Ik had dan wel besloten om hier te blijven, maar met Ayran mee teruggaan leek wel heel aanlokkelijk...

[an error occurred while processing this directive]