Toen Ysella eenmaal besloten had dat ze zich door Guhya van de geest van Loryn zou laten verlossen, viel er een merkwaardige stilte. We gingen samen naar Guhya - Faran werkte in de glasblazerij omdat er een grote bestelling was binnengekomen, en Imri was al helemaal nergens te bekennen; kennelijk was er ook een grote bestelling van kindertjes - en die bekeek Ysella, maar ze vond de geest kennelijk te sterk om het zelf te doen. Dar zou het moeten doen met iets dat ik niet kon verstaan, want hij was iets anders dat ik niet kon verstaan. In de kamer waar we met Guhya praatten zat ook een heel oud vrouwtje, dat het allemaal maar niets vond: had Ysella niet pas een baby gekregen? Vroeger gooiden ze in zo'n geval een baby van de toren, als offer aan de geest. Ik probeerde mijn schrik zo goed mogelijk te verbergen en zei dat d�e geest dat wel heel graag zou willen, maar dat vond het oude vrouwtje juist prachtig. "Moeder," zei Guhya, "dat doen we toch al lang niet meer?" Het scheen dat ze tegenwoordig rijst met gember offerden, dat vond de geest blijkbaar ook lekker.

Die dag brachten we door in gespannen afwachting. Ik ging naar mijn smederij, maar er kwam niets uit mijn handen, ook niet toen ik het al te gewillige goud terzijde legde en probeerde te werken met weerbarstiger zilver. We werden ook al niet opgehaald voor de les van Talay, en toen ik vroeg wat er aan de hand was bleek er priesterraad te zijn waar Talay en Dayati heen waren.

Tegen de avond werd het steeds drukker op mijn binnenplaats en die van de anderen: de vrouw van Ram was erbij, en het vriendje van Boko, en veel anderen die ik wel eens ergens anders had gezien. We kwamen in een ruimte terecht die de keuken van mijn binnenplaats moest zijn, waar ik nog nooit eerder was geweest: langs de ene lange kant brandden vuren onder een stenen richel, in het midden was een pilaar helemaal omwonden met groene twijgen, en tussen de pilaar en het vuur stond een bank waar Ysella op werd gelegd. Het werd steeds drukker in de keuken en Guhya haalde mij naar voren, want ik moest erbij zijn. Toen zag ik ook dat er aan iedere kant van de pilaar een grote trommel stond, waar Boko en zijn vriendje glunderend bij zaten te wachten. Iemand bracht een pan binnen die naar rijst en gember rook. Die werd tussen Ysella's benen gezet.

Ik weet niet meer of Dar er al was, of dat hij binnenkwam toen iedereen binnen was, maar hij was er in ieder geval en hij zag er indrukwekkend uit. Hij droeg een lang gewaad en een hoofdtooi met veren, een kalebas aan zijn gordel, en had een lange dikke tak in zijn hand met groene blaadjes eraan. Er werden pullen met bier uitgedeeld, emmers bijna, ook aan mij, en er werd er een bij Ysella neergezet. De jongetjes begonnen op de trommels te slaan en Dar begon te dansen, in een steeds opzwepender ritme. Ik probeerde te zien of hij semte was, maar het was bijna het omgekeerde: iedereen die ook maar een beetje begaafd was stelde zich helemaal open, maar Dar was juist bijzonder dicht, als het windstille middelpunt van een wervelstorm. Hij dronk met grote teugen uit zijn emmer bier. Soms nam hij ook een slok uit zijn kalebas, die hij over de menigte heen sproeide. Af en toe riep iemand van de aanwezigen iets naar hem, en dan sloeg hij met zijn staf op de pilaar zodat er een twijgje af sprong dat hij aan die persoon gaf. Kamari kreeg er een, waar ze heel blij mee leek te zijn, maar sommige mensen waren juist helemaal niet blij.

Na een hele tijd leek er iets te veranderen. Het werd stiller, Dar begon in een ander ritme te dansen, en het leek alsof de mensen iets verwachtten. Tenslotte ging Dar bij alle mensen langs en kreeg van iedereen een draad, die ze bij zich hadden of uit hun kleren. Ik haalde ook een draad uit de zoom van mijn gewaad. Hij vlocht alle draden tot een soort dikke ketting, die hij om zijn hals hing. Daarna ging hij door met dansen; de spanning steeg, en ineens zagen we een enorme slang die zich eerst over Ysella heen kronkelde en toen om de pilaar heen naar boven. Ysella leek heel ver weg te zijn, alsof haar geest haar lichaam had verlaten. Ik probeerde met de ogen van mijn anie te kijken, maar die weigerden dienst; ik weet niet of het door het bier kwam of doordat alles me helemaal vreemd was, maar die hele nacht heb ik niets meer kunnen zien, behalve wat de ogen van mijn lichaam zagen.

Na de slang verschenen er een man en een vrouw die veel van Talay en Dayati hadden, maar ze waren het niet, en het leken eigenlijk helemaal geen mensen te zijn. Of het werkelijk een verschijning van goden was kon ik niet zien, maar achteraf lijkt het me waarschijnlijk. Daarna was er een lange magere man met lange haren over zijn hele lichaam, en zwarte vogels met gouden snavels die op Ysella's schouders gingen zitten, en op het laatst een kleine oude man met zweren en etterende wonden over zijn hele lichaam, die me een onberedeneerbare angst aanjoeg. Later zei Ysella dat ze hem herkend had als dezelfde als Archan. Dat was - zoals we ook later hoorden - Ruha-bu, die de geesten gezonden had. Dar pakte de pan met rijst en gember van tussen Ysella's benen en hield die de verschijning voor, die verdween, hoewel hij de pan niet meenam. Tegelijk waren ook alle andere andere verschijningen verdwenen. Dar gaf iedereen zijn eigen draad terug - tenminste, de draad die ik terugkreeg zag eruit alsof hij uit mijn zoom was gekomen. Dat was kennelijk het eind van het ritueel, want de mensen stonden op en begonnen vrolijk met elkaar te praten in een taal die ik helemaal niet verstond en die beslist geen Síth Kura was.

Ysella kwam terug van waar ze geweest was en keek wat onwennig om zich heen. Iedereen begon weg te gaan, en Gaddo kwam een beetje bezorgd op Ysella af en vroeg haar of de geest nu echt weg was. Ik probeerde het te zien, maar ik zag nog steeds niets. We praatten nog wat na, ook met Dar en Guhya, over de verschijningen die we gezien hadden. De twee die op Talay en Dayati leken waren de koning en de koningin, en Ruha-bu was dezelfde als Anchuk, tenminste, de priesters hadden Anchuk genomen en wat er overbleef aan de bedienden gegeven. Ik begreep dat niet: een god is toch niet te verdelen, en verschillende mensen kunnen toch dezelfde god dienen, ieder op zijn eigen manier? Ik was niet helder genoeg om dat zo uit te leggen dat iemand me begreep, zelfs Ysella niet.

Uiteindelijk gingen we naar bed, en we sliepen tot het eind van de ochtend. Er was alweer geen taalles, maar Talay en Dayati waren terug van het priesterberaad en we gingen hen opzoeken. Eindelijk begin ik weer de gewoonte terug te krijgen om in de geest te kijken waar iemand is, wat ik in Ildis deed zonder erbij na te denken. Ze bleken in de grote zaal te zijn. Ysella vertelde dat ze de kwade geest kwijt was, maar het was zo moeilijk om uit te leggen hoe dat gebeurd was zonder iemand in moeilijkheden te brengen (en bovendien wisten we geen van beiden precies wat er gebeurd was) dat we uiteindelijk maar over de details zwegen. Ik zei wel, eigenlijk tot mijn eigen verbazing, dat ik besloten had om hier te blijven, en dat ik net zo behandeld wilde worden als iedereen; voor mij hoefde bijvoorbeeld geen vlees meer op tafel te komen. Ik vroeg ook of ze van de goden geen vlees mochten eten, maar het bleek dat ze bang waren dat de dieren wraak zouden nemen. Nemen de dieren dan geen wraak op Valdyanen? Nee, want Valdyanen zijn daar te sterk voor. Ze hebben hier toch wel een àl te hoge dunk van ons; ze denken ook al dat we zomaar hun gedachten kunnen lezen, zelfs Dayati, die toch een goede leerling is en al het een en ander gezien heeft. Talay leek blij te zijn over mijn besluit, maar ik vraag me af of ze me ooit echt als een van hen zullen behandelen.

Dayati vroeg of we te moe waren voor een les, en Ysella twijfelde, maar ik dacht dat ik het wel aan zou kunnen. Toen ik even niet wist waar we gebleven sprong Dayati bij: "elkaar zien zonder elkaar aan te raken". We oefenden daar verder mee, en tenslotte vroeg Dayati of zij en Ysella op elkaar mochten oefenen. Natuurlijk mocht dat. Dayati was voorzichtig genoeg, maar ze ging wat al te diep en ze zag iets dat Ysella gezien had bij het uitdrijven van Loryn, "de oceaan van de zielen" geloof ik dat het heet, een zwarte vlakte met lichtjes. We ontkwamen er toen niet aan haar te vertellen hoe Ysella aan de geest was gekomen. Dayati schrok er erg van dat iemand van ons de herinneringen van een ander aan een derde kan geven, en het lukte me niet haar ervan te overtuigen dat daar bijzondere omstandigheden voor nodig zijn en dat we dat niet zomaar doen als onderdeel van de dagelijkse routine. Hoe meer ik probeer uit te leggen dat we geen bovennatuurlijke krachten hebben, hoe meer zij denken dat we die wel hebben! Als hier een echte leraar uit Valdyas was, iemand met meer talent voor lesgeven dan ik, dan zouden heel veel mensen hier binnen de kortste keren alles kunnen leren wat een gemiddelde meester uit Valdyas kan, en dan zou het niet meer zo bovennatuurlijk lijken.

Ik keek nog even of Loryn echt weg was - nu kon ik weer iets zien - en ik kon geen spoor van hem ontdekken. Ysella zag er ook een stuk minder gespannen uit. Vreemd genoeg had ze ook weer een Valdyaans accent gekregen, dat ze een tijdje kwijt was geweest; misschien was iets van haar taalkennis ook van Loryn.

Toen Loryns naam viel schrok Dayati, en ik realiseerde me, iets te laat, dat Talay en de vicaris van Anchuk ruzie hadden gemaakt over "onze Loryn". Ik probeerde erachter te komen welke Loryn zij kende, maar ze wilde het niet zeggen, ze zei alleen dat ze vermoedde dat het wel iemand anders zou zijn.

Ik weet niet precies meer hoe het gesprek op handelshuizen kwam - ik geloof dat ik vroeg of Dayati mensen van de Dageraad kende. Ze bleek Senthi, Ferin en Radan te kennen en ook nog iemand van wie ze de naam niet noemde. Van Ferin en Radan weet ik vrij weinig, behalve dat ze van Archan zijn - Ferin zelfs een jonge veelbelovende grootmeester - maar van Senthi kon ik vertellen dat ze een harde, onbarmhartige vrouw is. Volgens Dayati was de Dageraad het handelshuis van Anchuk, en de Rijzende Zon dat van Anshen - zoals gewoonlijk begreep ze niet helemaal hoe dat in Valdyas anders ligt. En waren Senthi en de anderen dan hogepriesters van Anchuk? Nee, van Micalacuk; Senthi was immers Machtige Dienaar in Veray. Dat begreep Dayati ook niet; was ze dan afvallig? Nee, alle handelshuizen waren in principe van Micalacuk, maar iemand kon bij Anchuk of Anshen horen en toch hogepriester van Mizran zijn (ik begin steeds meer de namen van de goden door elkaar te halen). Ik vroeg haar of er hier dan zeven handelshuizen zijn, een voor iedere god, en dat bleek inderdaad zo te zijn. Ik blijf het vreemd vinden dat hier ook Timoine een handelshuis heeft.

Dayati trok zich terug, en toen Ysella en ik zaten te eten (we aten bij mij, en een schoteltje vlees werd schielijk teruggebracht naar de keuken) kwam er een klerk met twee boeken, het origineel en de kopie van het aantekenboek van Talay. En of ik de losse vellen die achterin lagen ook gekopieerd wilde hebben? Hij liet me de losse vellen zien. Het waren twee brieven in het Valdyaans. De eerste was in een abominabel handschrift, zelfs met een spelfout in de naam van Naigha:

Veray, feest van Naiga

Mijnheer,

Afgezien van de opkomst van Ferin binnen de Dageraad, uit Veray geen nieuws. In Turenay daarentegen wordt gebouwd aan de school waarover ik Ued. al eerder berichtte. De financiering is niet geheel duidelijk. Misschien voor U van belang?

Uw dienaar,

Sidhan

Onder de brief stonden krabbeltjes die alleen van Talay en Dayati konden zijn: "Is er nog geen school in V.? D." en "Niet dat ik weet. T.". Ik zou misschien meer kunnen vertellen, maar ik denk dat dat nu nog niet verstandig is.

De andere brief was interessanter, want hij was van Loryn, die overigens wel kon spellen, al had hij zijn feiten nogal verdraaid en was zijn stijl op zijn zachtst gezegd overdreven.

Essle, feest van Mizran

Geachte heer,

Hierbij heb ik u de eer in te lichten over de gebeurtenissen van de afgelopen tijd in Ildis, overeenkomstig onze afspraak. Tijdens een poging om chaos te veroorzaken in de stad Ildis wisten enige tientallen leden van de Orde der Gezworenen tijdens een aanval op het huis van de Koninklijke Garde een groot nadeel toe te brengen aan die Garde, te weten een afgedwongen som van 1.000.000 ruiters, waarbij aangetekend wordt dat zij geen nieuwe gardisten aan mogen nemen tot de delging van de schuld die is ontstaan bij de familie Brun. Het evenwicht is zeer verstoord!

Uw dienaar,

Loryn

Eronder stond in het handschrift van Dayati: "Gemeld aan de raad. D.", en in de kantlijn, bij het onvoorstelbaar grote bedrag waar ik niet eens een woord voor heb, "Hum! Deel dat maar door duizend of tienduizend! T." "Lijkt mij ook. D.".

"Enkele tientallen leden van de Orde der Gezworenen" nog wel! Dat waren als ik het me goed herinner Vurian Brun, Faran en Ysella, geen van allen Gezworenen en maar één in het Gilde van Anshen op dat moment. En geen woord over het feit dat het Lydan was die de vijandelijkheden was begonnen, en wat hij met de neef van Perain Hayan had gedaan.

Wij kregen papier en inkt om de brieven zelf over te schrijven, want de klerk kon geen Valdyaans schrijven. Toen we daarmee klaar waren bladerde ik wat in mijn exemplaar van het boek. Voorin waren het allemaal woordenlijsten in kolommen, zowel het Síth Kura als het Valdyaans in het Síth Kura schrift. Toen ik het hardop las klonk het precies zoals Talay Valdyaans spreekt, en dat maakte Ysella aan het lachen. Verderop in het boek stond het vol met staatjes, cijfers, overzichten van dingen die ik niet helemaal begreep, maar het leken grote geldbedragen voor allerlei Valdyaanse steden. Daar moet ik nog eens in alle rust naar kijken. Talay weet dat ik een kopie van zijn boek heb, maar ik weet niet of hij zich ervan bewust is wat er nog meer in staat dan zijn aantekeningen over de taal. Elke keer dat ik probeer open te zijn met Talay en Dayati, gaat het gesprek een andere kant op; ik weet niet of het is dat ik een vreemde taal moet spreken, of omdat zij nu eenmaal gewend zijn heel anders te denken, of dat ze precies weten wat ze doen en mij met opzet ontwijken.

Later vroeg Ysella me waarom ik wilde blijven, en ik moest erg naar woorden zoeken. Uiteindelijk zei ik dat ik hier thuis was, dat ik mijn plaats had gevonden, en dat ik hier Timoine kon dienen zonder dat ik daarop werd aangekeken; ik was immers geen kind, geen muzikant en geen vroedvrouw. Dat leek haar tevreden te stellen, maar ze begreep me nog steeds niet echt. Zij heeft zelf toch ook een plaats gevonden, iedereen wil haar bij zich hebben en het ziet eruit alsof Gaddo echt om haar geeft, en het niet alleen maar zijn werk is om haar tevreden te stellen. Ik heb er nu spijt van dat ik iedere toenadering heb afgewezen in het begin, want het doet me bijna pijn om Ysella met Gaddo te zien of Imri met de aardige krullebol van wie ik me de naam nooit kan herinneren. Toch wil ik niet zomaar een jongetje van plezier in mijn bed, mijn lijf snakt dan wel naar een man, maar ik wil er alleen een aan wie ik me met lichaam en ziel wil binden. Zoals ik eerder al schreef: er zijn hier veel knappe mannen, maar ze zijn geen van allen Rovan. Ik blijf hier, en in mijn eenzame bed.

De volgende morgen kwam iemand ons halen voor een taalles. Eindelijk leken de zaken weer gewoon te gaan, hoewel we Faran en Imri nog steeds niet gezien hadden, maar toen we in het leslokaal waren was Talay nergens te bekennen. Ik keek waar hij was en vond hem in de werkkamer naast de bibliotheek. Toen ik daarheen liep zag ik op het erf een draagstoel staan met een jongetje ernaast, ongeveer zo groot als Boko. Hij riep ook iets tegen Boko, zo plat dat ik het niet kon verstaan al leek het over mij te gaan, maar Boko verstond hem maar al te goed en riep iets terug. Daarna raakten de jongens slaags. Ik moedigde Boko aan, hij was immers mijn eer aan het verdedigen, en hij won, met een blauw oog. Ik vroeg hem wat de andere jongen nu eigenlijk had gezegd, en na enige aarzeling vertelde Boko dat volgens zijn mevrouw Boko's mevrouw een heks was. Wie was dan de mevrouw van die jongen? Dat was Dayapati. Die naam kwam me bekend voor, en ik vroeg of Dayapati soms de vicaris van Anchuk was. Ja, dat was ze inderdaad. Ik stuurde Boko naar binnen om zijn blauwe oog te laten verzorgen en ging zelf naar de werkkamer - dit was mijn kans om de vicaris van Anchuk te spreken! In de werkkamer was Talay opnieuw ruzie aan het maken met zijn zus: "Dat had je niet moeten doen!" "Ja, maar dat heb ik nu al gedaan" of iets dergelijks, en net toen ik daar aankwam vloog de deur open en stormde Talay naar buiten.

Dayapati zat nog aan de werktafel, en ik probeerde me zo veel mogelijk in mijn oude grootmeesterschap te hullen en stapte naar binnen. Het was een streng uitziende vrouw, veel ouder dan haar broer, en het was duidelijk dat ze dacht dat ze zichzelf beschermde. Wanneer zullen ze ooit geloven dat wij werkelijk geen gedachten kunnen lezen, tenzij iemand ze duidelijk voor ons schrijft? Ik groette haar met alle beleefdheidsvormen die mijn beperkte taalkennis toeliet en sprak mijn vreugde uit dat we nu in de gelegenheid waren om elkaar te spreken. Ze vroeg zich af waarom ik haar wilde spreken, en ik zei dat ik graag wilde bespreken wat we van elkaar konden leren. Volgens haar was er niets dat we van elkaar konden leren; ik probeerde dat tegen te spreken, zij was immers ook begaafd genoeg om alles te leren dat Dayati van mij leerde. Ik zou haar wel bij mijn lessen willen uitnodigen, maar ik kon me goed voorstellen dat ze het daar te druk voor had; ik was ook bereid om naar haar huis te komen en haar daar les te geven. Dat wees ze af, niet al te vriendelijk. Ze begreep ook niet hoe Archan verschilde van Anchuk, en dat ik daarom de dienst van Archan had verlaten. En voor haar was het gesprek toen afgelopen. Ik probeerde maar niet om tot haar door te dringen, want haar geest zag eruit als hard, ondoorzichtig glas. Ik dacht terug aan mijn eerste ervaring met Dayati, die mijn aanraking toen alleen kon waarnemen als iets dat haar slecht op haar gemak maakte. Als Dayapati al dacht dat ik een heks was, dan zou ze iedere poging om door het glas heen te komen als een aanval opvatten. Ik wilde niet ook nog ruzie met haar krijgen; dat laat ik maar liever aan Talay over, die haar zijn hele leven al kent.

[an error occurred while processing this directive]