Ik zocht al een tijdje naar het juiste moment om te vragen of ik de tempel kon bezoeken, maar Talay was me voor: hij vroeg Faran of hij, nu Dayati hem was verschenen, ervoor voelde om in de tempel te gaan bidden. Hij had daar wel oren naar, en we gingen allemaal mee, in een enorme stoet van vier draagstoelen met een gevolg van lansdragers, muzikanten, persoonlijke bedienden en allerlei ander volk waarvan de functie me niet helemaal duidelijk was. Onderweg bleek dat de stad, of dit deel ervan, kennelijk in grote vierkante blokken gebouwd was. Na een half uurtje kwamen we op het tempelplein. Daar was het onvoorstelbaar druk en ook nog eens een oorverdovend kabaal. Onze aankomst bleek nogal wat opzien te baren. De lansdragers waren er niet voor niets. Er waren bedelaars, oud en jong, die om "paisa" vroegen. Ik schaamde me dat ik zelfs geen enkel koperstukje had, maar onze begeleiders schenen het gewoon te vinden en negeerden ze of schoven ze, als dat toevallig hun werk was, van ons vandaan.

De grootste tempel op het plein was die van Micalacuk, eerder een berg dan een gebouw, groter dan welk gebouw dan ook dat ik daarvoor gezien had. Hier was het gedrang het grootst. Wij gingen naar een tempel schuin erachter, die van Dayati, die vierkant was en bijna even groot. We kregen allemaal een hoofddeksel op, een soort hoed met een sluier eraan, ik over mijn hoofddoek heen. De sluier was half doorschijnend, zodat we allemaal wel konden zien en niet gezien konden worden. Verder bonden onze bedienden leren riempjes om hun handen en er ontstond even wat verwarring omdat wij die niet hadden, maar er werd iemand gestuurd om ze voor ons te halen. De riempjes waren groen, wat mijn overtuiging dat we met een buitenlands gezicht van Timoine te maken hadden alleen maar versterkte.

In de tempel trof me allereerst de duisternis, toen de kou. Aan het donker raakte ik gewend, maar de kou bleef en trok in mijn botten. Naast me zag ik ook Ysella rillen. Ik keek voorzichtig om me heen met mijn geestesoog - dat had ik niet moeten doen, want het kabaal trof me als een mokerslag, honderden of misschien duizenden mensen die zonder enige discipline anea om zich heen verspreidden. Imri stond ook te wankelen, en Ysella viel er zelfs bijna flauw van.

In de tempel was kennelijk net een dienst aan de gang; vooraan zaten een heleboel mensen met net zulke hoofddeksels als wij, maar dan over hun schouder, te zingen en op trommels en hoorns te spelen, aangevoerd door een man in een rijk versierd gewaad. Onze gids zei (hij hoefde niet te fluisteren) dat we als de dienst was afgelopen het beeld van Dayati zouden kunnen vereren. Dat stond midden in de tempel, reusachtig groot. Het was het beeld van een man en een vrouw in een woeste omhelzing, die ik op dat moment als vrijen zag, maar die evengoed vechten kon betekenen. In een half afgescheiden ruimte opzij was een groep jongere mensen bezig met iets dat op een rituele scheldpartij leek, een soort schermen met woorden. Ik vroeg of dat ook de dienst was, en kreeg het antwoord "nee, dat is de les". Aan de andere kant stond een groot aantal beeldjes van Dayati, allemaal verschillende, als god en als godin of allebei, groot en klein. Kennelijk had iedere maker het beeld van Dayati gemaakt zoals hij haar zelf zag. Bij sommige hadden gelovigen bloemen en andere kleine offergaven gelegd.

De dienst was inmiddels afgelopen en we werden begroet door een priester, ik weet niet of het dezelfde was die de dienst geleid had. Hij nam ons mee naar het midden van de tempel, bij het beeld. Onze bedienden kusten de sokkel van het beeld en prevelden gebeden die ik niet kon verstaan. Ik werd bevangen door een groot verlangen naar Timoine, maar ik kon me zelfs de eerste woorden van de Eerste Aanroeping niet meer te binnen brengen, en stond te stotteren en te huilen. Godavari, die aldoor bij me was gebleven, stootte me aan en vroeg wat er was; ik zei dat ik tot Dayati wilde bidden maar er geen woorden voor had. Zij zei me iets voor, dat ik haar nog eens precies moet vragen, het voelde aan als een dierbaar kindergebed.

Faran vertelde later dat hij dezelfde verschijning nog eens gezien had; hij zei zoiets als "je kunt er zeker van zijn dat Dayati Timoine is".

Toen we de tempel verlieten was ik een beetje bijgekomen. Ik vroeg naar de tempel van Anchuk en van Anasagga. We werden naar de tempel van Anchuk geleid, waar op de binnenplaats op een podium recht werd gesproken en op een schavot terechtstellingen werden uitgevoerd. Er waren geen toeschouwers, iedereen liep er gewoon langs; kennelijk zijn openbare terechtstellingen hier geen schouwspel. Uitermate beschaafd, zou ik zeggen. De anderen wilden er part noch deel aan hebben, en ik ging alleen (tenminste zo alleen als ik hier kennelijk kan zijn) de tempel in. Het godenbeeld was dat van een man met een baard en een extra oog in zijn voorhoofd. Ik voelde duidelijk de goddelijke aanwezigheid, maar de goddelijke aanwezigheid merkte mij niet op toen ik me meldde, en ik kon ook niet herkennen wie het nu was.

De tempel van Anasagga werd bewaakt door personen in wapenrusting met een vervaarlijk uitziende lans of hellebaard. Kennelijk was het wel toegestaan de tempel in te gaan, maar opnieuw was ik de enige die dat wilde. Ysella was trouwens teruggegaan naar haar draagstoel na een kleine onenigheid met een van de wachters - ik weet niet precies meer wat er voorviel, maar waarschijnlijk was het een van haar ondoordachte invallen. Of misschien was het wel Loryn die van zich liet horen.

Anasagga leek precies op Anchuk, met het verschil dat hij de baard miste en gekleed was in een wapenrusting van hetzelfde type als zijn wachters. Ook hier was een goddelijke aanwezigheid die me niet zag, en die ik niet als Anshen of Archan kon herkennen.

In de tempels van Anchuk en Anasagga werden overigens geen riempjes om de handen gedragen, waarschijnlijk was dat speciaal iets voor Dayati.

Toen we uit de tempel terugkwamen, zagen we een enorme rookkolom opstijgen, alsof er iets erg groots in brand stond. Het was van hieraf niet te zien of het in of buiten de stad was. Waarschijnlijk erbuiten, in de buurt van de haven. De rook was zo dik dat het er in de stad nevelig en drukkend van werd. Later hoorden we dat er brand was geweest in Klein-Valdyas en dat dat deel van het eiland onbewoonbaar was geworden. Talay had het over "grond die door beestjes is gemaakt", en ik dacht dat de brand de beestjes gedood had en dat het eiland daardoor uit elkaar was gevallen, maar het bleek dat de beestjes al dood waren en dat het eiland bestaan had uit hun lege schelpen. De meeste Valdyanen waren gered en hadden een nieuw onderkomen gekregen op een ander eiland, een eindje verder uit de kust.

De volgende paar weken - ik weet nog steeds niet hoe ze hier de tijd bijhouden, maar ik schat dat het een week of drie was - begonnen de anderen ook hun plaats te vinden. Imri deed een bloeiende vroedvrouwenpraktijk op; blijkbaar was het verhaal van haar geslaagde behandeling van Dayati rondgegaan. De enige die daar niet altijd even blij mee was, was de aardige krullebol die haar bed deelde, omdat ze vaker dan hem lief was bij nacht en ontij werd geroepen. Faran bekwaamde zich in het glasblazen. Ysella liep in het begin een beetje met haar ziel onder haar arm, maar kwam een keer volkomen bij toeval op een feest terecht waar ze zich thuisvoelde en aardig werd gevonden, en vanaf dat moment werd ze op steeds meer feesten uitgenodigd en was ze een welkome gast. Ik kreeg ook weer tijd om iedere dag een paar uur in de smederij te werken. Dat was meteen een goede gelegenheid om mijn vertrouwdheid met de goden terug te vinden en mijn gaven weer wat te oefenen.

Op een nacht werd ik wakker gemaakt door iemand die ik in eerste instantie niet herkende, maar het bleek de bedgenoot van Ysella te zijn, die ik bij een van mijn oefeningen als begaafd had herkend. Natuurlijk was ook hij niet getraind, maar hij zag veel, en wat hij gezien had dat hem verontrustte was een droom van Ysella die ik herkende als een deel van de invloed van Loryn - wat daarin voorviel had Ysella nooit zelf kunnen doen of zelfs maar bedenken. Ik beloofde hem de volgende nacht te komen waken. Ysella droomde inderdaad, volgens haar jongen ongeveer even erg als de vorige keer. Ze herinnerde zich helemaal niets en wilde het ook niet weten. Toen ik zei dat Ysella de herinneringen van iemand anders had, stelde hij voor om morgen naar Guhya te gaan die de geest kon uitbannen; de geest was niet goed, ze moest hem kwijt. Daar was Ysella het mee eens, en ik na enige bedenkingen ook - ze zou wel van de geest van Loryn kunnen leren, maar of dat ook goed voor haar zou zijn was nog maar de vraag.

[an error occurred while processing this directive]