Mijn onverwachte gasten zijn gearriveerd. Het zijn Faran, Imri en Ysella, zoals ik min of meer al had gedacht. Vurian is er niet bij; hij is "gevankelijk afgevoerd door iemand van zijn familie", volgens Imri. Als ik het goed begrijp heeft hij de Tempel van Mizran in Essle voor 850 ruiters afgezet onder zijn eigen naam. Ik kan me voorstellen dat de familie Brun daar niet blij mee is. Bovendien heeft hij nog meer op zijn geweten, maar daarover later.

Tot mijn verbazing was het niet Imri die in het Gilde was gekomen, maar Ysella; en te zien aan de staat waarin ze verkeerde nog niet zo lang geleden en met nogal een harde klap. Toen ik haar ernaar vroeg begreep ze eerst niet precies wat ik bedoelde. Later bleek dat ze de herinneringen van Loryn met zich meedraagt. Arme Ysella, ze is toch al onzeker en besluiteloos, en heeft nu ook nog zo'n last te dragen. Ik dacht dat Loryn zelf haar ermee had opgezadeld - dat kan ik me maar al te goed van hem voorstellen - maar ook dat blijkt Vurian te zijn geweest, en nog wel uit vrije wil; Ysella's vrije wil, wel te verstaan. Gelukkig is ze verstandig geweest en heeft de goede kant gekozen, niet die van Loryn. Ze heeft natuurlijk nog nooit iets geleerd, en ik heb haar voorzichtig aangeboden bij de lessen van Dayati te zitten - als Dayati het daarmee eens is, natuurlijk. Het zou niet goed zijn als ze alles moest leren van het Loryn-beeld in haar geest, vooral niet zijn methoden en zijn opvattingen.

Nu zit ik allerlei manieren te bedenken om Ysella en als het in mijn macht ligt ook Imri iets te leren, en om de werkelijk begaafde kinderen in de leer te krijgen zodra ze hun gaven laten zien, maar ik heb me voorgenomen mijn belevenissen zo volledig mogelijk op te schrijven, dus mijn plannen zullen moeten wachten.

Faran en de meisjes zaten in de gruwelijke storm die een paar weken geleden ook hier woedde, en van het schip is niet meer dan een romp over die met kunst- en vliegwerk de haven binnen is gesleept. Zodra ze in Klein-Valdyas aankwamen zijn ze opgehaald, ze waren al net zo verbaasd als ik, maar wilden wel mee omdat het toch weken of misschien zelfs maanden zou duren voor ze verder konden. Het schijnt dat mijn naam wel genoemd is, maar dat ze die niet konden verstaan tussen alle woorden die ze evenmin konden verstaan. Bij de ontvangst liet Talay mij vertalen, tot ik opmerkte dat hij wel degelijk Valdyaans verstond, "al doet hij alsof het niet zo is". Talay zei dat hij zich niet gerealiseerd had dat mijn vrienden Valdyanen waren, maar ik weet niet of ik dat moet geloven. Hij weet immers dat ik nooit ergens anders geweest ben.

Het was vermakelijk om te zien dat Faran, Imri en Ysella net zo behandeld werden, en in grote lijnen net zo reageerden, als ik toen ik net aankwam. Ze kregen samen een grote binnenplaats naast de mijne, met bedden in de stijl die hier normaal is, met een rietmat en een donzen dek. De bedienden hadden kennelijk van mij geleerd dat het haar van ons soort mensen niet geschikt is om met olie te worden ingesmeerd en dat het wit er echt niet af gaat, hoe hard je ook wast. Ysella werd uitgebreid bewonderd en "dronkenmakende schoonheid" genoemd, en ook Faran kreeg een titel toebedeeld, die ik nog niet versta, maar die op zijn lichaamsbouw slaat.

We aten in de grote zaal bij de familie. Voor de nieuw aangekomenen - ik had bijna "de Valdyanen" geschreven, terwijl ik zelf precies even Valdyaans ben - leek het een formeel feestelijk banket, maar ik ben er inmiddels aan gewend. Later dronken we nog wat bij Talay en Dayati. Het was duidelijk dat vooral Imri niet tegen zo'n hoeveelheid wijn kon, en ik vroeg me voor het eerst sinds weken af of wijn werkelijk het enige is dat je hier te drinken krijgt, afgezien van vruchtensap dat een bijzonder zeldzame delicatesse schijnt te zijn. In dit klimaat kun je natuurlijk een kan vruchtensap geen uur laten staan of het begint te gisten. We dronken raksh, van sinaasappels gemaakt, en Faran vroeg zich af of hij het ook kon leren maken, maar Talay zei dat het recept geheim was en dat hij het zelf ook ergens anders vandaan haalde en niet wist hoe het gemaakt werd.

We trokken ons allemaal vrij vroeg terug. Toen ik 's morgens bij mijn nieuwe buren op bezoek ging waren ze net aan het opstaan en de alomtegenwoordige kinderen en poezen uit hun bed aan het werken. Imri had inderdaad last van een kater, maar had daar iets voor gekregen dat smaakte alsof het werkte. We plukten samen een bosje munt en ik vroeg om een pannetje kokend water. Toen we de thee gemaakt hadden en die wilden drinken, bleken er opeens wel twintig bedienden om ons heen te staan die ongerust keken, sommigen zelfs boos. Guhya tikte me op de arm en zei, misschien iets tè voorzichtig, dat wij dat niet mochten, dat alleen de bedienden water en bier dronken. Al mijn protest dat ik dat thuis ook gewend was, dat het onze gewoonte was, had geen effect, en ik begon me te schamen, wat me nog nooit was overkomen voor mijn vrienden aankwamen. Ik moest moeite doen om de anderen ervan te overtuigen dat ze er beter niet tegenin konden gaan, in ieder geval niet voor ze heel wat meer wisten; meer dan ik op het ogenblik weet, denk ik.

We kregen allemaal taalles van Talay. Deze keer zat ik er bijna voor niets bij omdat hij natuurlijk weer helemaal bij het begin begon. Toen er even een pauze viel vertelde ik van mijn misstap, en hij zei "ja, dat is zo, water drinken is een voorrecht van slaven". Faran viel meteen over het woord "voorrecht", en ik probeerde Talay duidelijk te maken dat voor ons een "slaaf" iemand is die tegen zijn zin het werk van een bediende doet. Talay zei dat slaven mensen zijn, net als alle andere mensen, en dat iemand die als bediende geboren wordt dat zijn hele leven blijft en dus niet kan kiezen, kortom, een slaaf. Er ontstond een gesprek over het verschil tussen "het hoort niet" en "het mag niet", waar we eigenlijk niet uit kwamen, al had ik het gevoel dat we elkaar begrepen maar het niet in elkaars taal konden zeggen.

Talay is zo onschuldig; voor hem is er maar een manier van leven, volkomen vanzelfsprekend, en zolang ik hier als enige vreemdeling was leek het ook vanzelfsprekend voor mij. Ik kijk nu door de ogen van mijn landgenoten en ik zie alles dat voor hen wringt, en dan wringt het ook voor mij. Toen ik hier aankwam was ik waarschijnlijk nog zo in de war dat ik alles gewoon aannam, en later, toen ik mezelf begon terug te vinden, was ik er al aan gewend.

Toen Imri zei dat ze vroedvrouw was leek Talay onder de indruk, en toen ze vertelde dat ze wel eens vier kinderen op één dag had gehaald zei hij "dat is mij nog nooit overkomen". Het blijkt dat Talay en Dayati, als hogepriesters van Dayati, de kinderen van de andere hogepriesters halen. Ik zal eens vragen, als het ter sprake komt, of Dayati ervoor zorgt dat de kinderen geboren worden zoals Timoine bij ons. Ze vinden het hier nog belangrijker dan wij om kinderen te krijgen. De hele kleintjes mogen alles. Het lijkt ze niet te schaden, en zodra ze kunnen praten zijn ze brutaal en beleefd tegelijk.

's Middags liet Dayati zich verontschuldigen omdat ze misselijk was - haar zwangerschap begint te vorderen - en de anderen wilden het huis verkennen. Ik wilde eerst in mijn schrijfkamer gaan schrijven, maar besloot toch mee te gaan, omdat ik hele stukken van het huis nog nooit gezien had. Na enige omzwervingen kwamen we uit in de vijfhoekige tuin, of misschien wel een andere vijfhoekige tuin. Dat is een volmaakte plaats om uit te rusten, van de koelte te genieten, en helaas ook om te piekeren, tenminste voor iemand van mijn temperament. Ik dacht aan Sith, die op zijn kop kreeg toen hij stukjes van onze kip roofde. Ik zei dat hij wel zijn gang mocht gaan, maar toen kreeg ik zelf min of meer op mijn kop. Wij - de gasten, of misschien de buitenlanders - krijgen vlees, en goed toebereid, maar zelf eten ze het niet. Zou het niet mogen van hun goden?

Ik moet leren me niet zo te schamen. Faran kent nauwelijks schaamte. Imri kan blozen, wat bewonderenswaardig is voor iemand van haar leeftijd, en van Ysella krijg ik geen hoogte, ik denk dat ze nog meer in de war is dan ik was toen ik hier kwam.