Een koning had een koningskind, Een maagd van vijftien jaren Met wangen in een frisse tint En lange blonde haren. De koning had een heel dik boek En daarin stond te lezen: "Op dit prinsesje rust een vloek, Dat wordt nu snel bewezen. Pas op voor spinnen, want gij weet, 't Zijn enkel boze lieden." Dus liet de koning per decreet Elk spinnewiel verbieden. Ons Roosje nu werd zestien jaar En alle feeën kwamen. Ze keken stiekem naar elkaar: Was iemand soms geen dame? Het feest was saai en Roosje dacht: Ik ga maar vast naar boven. Het is beslist al middernacht, Ik heb genoeg gefoven. Toen zij haar slaapvertrek betrad Zat het daar vol met spinnen. "Abah!" riep Roosje, "wat is dat? Ik ga hier niet naar binnen!" Zij keerde om - een losse roe! Zij stortte naar beneden. 't Ging rond en rond, en af en toe Raakte haar hoofd een trede. Beneden stond de boze fee, Die lachte in haar vuistje. Zij nam haar rubber spinnen mee En piepte 'm als een muisje. Al honderd jaar, bewusteloos, Ligt de prinses te dromen. Het hele hof slaapt als een roos: Zij hebben broom genomen.

ENVOI

Gij prinsen, die 't gevaar niet vreest, Wilt gij dit roosje plukken? Misschien is men u voor geweest, Dan zal het niet meer lukken.