Een kikvors, vroeger prins geweest, Zou een prinses verleiden. Helaas, zij zag het kille beest En poogde 't te vermijden. Nu was de kikvors lang niet dom: Hij hupte in de vijver Van haar paleis te Hillegom Vermomd als plastic drijver. Jacoba (want dat was haar naam) Liep in de tuin te ballen En liet het speelgoed onbekwaam Plons! in het water vallen. Prins Kikvors draalde niet, maar bracht Het gouden voorwerp boven. Hij sprak: 'Nu had ik dit gedacht: Wij zullen ons verloven.' 'Ho ho, mijn beste vors,' zei zij, 'Mijn vader is ertegen. En bovendien ben ik niet vrij Om bigamie te plegen.' 'Wat? Bigamie? Zijt gij gehuwd? Houdt gij het met een ander? Ik heb de strijd nog nooit geschuwd! Bevechten wij elkander!' Jacoba bracht haar echtgenoot, De kikvors trok zijn degen. Een steek! Een slag! Een rake stoot! Toen moest Jacoba vegen. De kikvorskoning was van kant, De mensenprins in stukken. Zij beten beiden in het zand: Het had niet willen lukken. Jacoba groef een heel diep graf Met plaats voor de rivalen. Toen reed zij uit in flinke draf En ging haar minnaar halen.

MORAAL

Of men nu kikvors is of niet, Het zal niet veel verschillen. Prinsessen doen, zoals ge ziet, Toch altijd wat ze willen.