Een wolf had kennis aan een geit, Een weduwe met bokjes. Zij had een trui voor hem gebreid En twee paar witte sokjes. Al liep het al een jaar of vier, Hij kwam niet bij haar wonen. Dat lag niet aan het moederdier, Maar aan haar zeven zonen. De oudste was een gore junk, De jongste was een watje. Daar tussenin een yup, een punk, Twee nitwits en een fatje. Zijn ergernis werd àl te groot. Hij kon het niet meer pruimen Zodat hij op een dag besloot Ze uit de weg te ruimen. Hij deed het om een uur of twee. De moeder was uit werken. De buurman zat op de WC, Dus niemand zou het merken. De bokjes hingen voor de buis. Hij kon haast niet meer falen. Maar eerst ging hij nog even thuis Zijn witte voetjes halen. Heel zachtjes, door de keukendeur, Sloop hij de woning binnen Om zonder al te veel gezeur De arbeid te beginnen. Zoals alleen een wolf dat kan Verslond hij 't hele zootje. Behalve nummer zeven dan: Die kroop in ma's bureautje. Na dit onmatig eetgelag Kwam zijn geliefde binnen. Zij raakte van zijn wangedrag Volledig buiten zinnen. Toen 't overlevend bokkejong Zijn moeder hoorde huilen, Kwam hij te voorschijn met een sprong Van waar hij zat te schuilen. 'O, lieve moeder, wees toch stil! Ik zal hem opereren, Want wat ik 't allerliefste wil Is chirurgie studeren.' Hij trok een snee van links naar rechts Om in de wolf te kijken Maar van zijn broeders restten slechts De half verteerde lijken. Het bokje hechtte onversaagd Al wat hij had gesneden. De operatie was geslaagd: De wolf was overleden. De geitemoeder was van streek En weende bittere tranen Zodat het aan haar zoontje leek Haar liefdevol te manen. 'Ach mens, wat moet je met zo'n vent? Hij moest toch éénmaal sterven. En kijk, hier is zijn testament: Wij zullen alles erven.'

MORAAL

Wanneer je eens per ongeluk Een wolf moet opereren, Maak hem vooral voldoende stuk: Dan kun je gaan studeren.