Andal - Popular religion around Troi

Andal - Een beschrijving van de volksreligie rond Troi

inleiding

Troi is de centrale stad in het grootste graanverbouwende gebied van Charia. Het is de laatste stad van de Chariaanse stedenrij, als men Proi niet meetelt. Rond deze stad ligt een grote hoeveelheid boerendorpen en marktstadjes. Historisch is dit één van de rustigste gebieden van Charia. Slechts zelden zijn er in dit hartland oorlogen geweest en de feodalisering die gedurende grote delen van de geschiedenis van Chariazi zo'n invloed had op de sociaal-culturele ontwikkeling heeft hier nooit plaats gevonden. Om een niet al te toepasselijk begrip te gebruiken: de graanlanden zijn altijd kroondomeinen van de Keizer gebleven. Een ambtelijk bestuursapparaat nam hier de plaats in van de willekeur van kleine warlords en alleenheersers.

Daardoor is de volkscultuur in dit gebied vrij stabiel gebleven en vertoont weinig breuklijnen in haar ontwikkeling. Veel van de volkscultuur ten tijde van een zo late keizer als Denyal de magnifieke valt nog direct terug te traceren naar het Keizerrijk op het zuidelijke halfrond.

Natuurlijk zijn ook hier een kaleidoscopische hoeveelheid invloeden van andere culturen te vinden en in het bijzonder de gewoonte krijgsgevangenen uit alle windstreken op de velden te doen arbeiden was van grote invloed. Een andere ingrijpende invloed was de reorganisatie van de gehele sociale structuur van het land onder Pal 4, Etaladan'ghra rond 212. Maar latere bronnen suggereren dat de beschrijving die Yundiai van Erlo geeft zonder meer overdreven was en dat de sociale structuur uiteindelijk bewaard bleef.

Het verschil tussen de volksreligie en de hoge religie.

De kloof tussen wat de edelen en de staat belijden en zien als nationale religie en de feitelijke godsdienst van het volk is zeer wijd. Dat wil niet zeggen dat er geen overlappingen zijn: het volk zal op de bestemde feestdagen de officiële goden eer bewijzen, maar de Hoge Diensten in de stadstempels en de goddelijke Rol des Keizers en de daarmee verbonden ceremoniëen, theorieën en wereldbeschouwing zijn hen vreemd. De edelen en de literati daarentegen zien neer op het volkse geloof maar ook bij hen staan thuis altaartjes voor huis en streekgoden. Die gelijkenis hebben zij niet in de gaten.

Een algeheel scepticisme onder de elite ten opzichte van religie zoals bijvoorbeeld in Frankrijk tijdens de verlichting of in China gedurende de hoogtijdagen van het Confucianisme bestaat niet: daarvoor is de aanwezigheid van de goden te direct, te zichtbaar aanwezig. Je kan nog zo hard roepen dat Pantoyr de Drieogige niet bestaat, als hij op een dag bij je langs komt om te vragen het met z'n offers zit, dan moet je uit stevig hout zijn gesneden om nog te blijven zeggen dat Pantoyr de Drieogige een verdichtsel van het klootjesvolk is. Misschien is het dan ook beter om in dit verband niet van geloof te spreken: het is een zekerheid dat er goden bestaan.

De lagere standen weten dat de hoogste klasse niet in hetzelfde gelooft als zij, terwijl de hogere standen -al dan niet veinzend- van mening zijn dat alle Charianen één zijn in hun geloof en het bijbehorende wereldbeeld. De hogere klassen zien in deze eenheid een cohesieve kracht die dus in werkelijkheid ontbreekt. Over de hoge religie is veel bekend en geschreven, zie onder andere Thought 12. De volksreligie is veel onbekender. Van typische volksgoden als de Negen Teleg is weinig tot niets bekend. De scheidingslijn loopt niet helemaal langs economische grenzen; vooral de plattelandsbevolking hangt deze vorm volksreligie aan, terwijl de stedelijke bevolking van Charia weer een heel ander geloof heeft, dat meer aansluit bij het geloof van de hogere standen en dat internationaler georiënteerd is. Stadscharianen zijn al gauw bereid om iedere godheid te aanvaarden en in zijn eredienst op te nemen die door een handelaar wordt meegenomen. Dat is geen neiging die bij de elite- cultuur ook bestaat; die is vaak eng nationalistisch. Er valt dus een duidelijke scheiding te constateren tussen enerzijds de stedelijke georiënteerde religies en anderzijds de platte- landsreligies. De kloof tussen deze twee delen van het volk is erg groot en sommige auteurs spreken dan ook van twee volkeren in één staat.

Zowel deze hogere religie als de stedelijke religies zijn redelijk gedocumenteerd in heilige boeken, annalen en geschiedenissen, maar de volksreligie van het platteland is vrij onbekend. In lokale geschiedenissen, die ook voor plattelandsdistricten bestaan, komt dit onderwerp niet vaak naar voren of wordt het op een clichématige manier behandeld. Maar zoals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, er is een tot nog toe onderbelichte bron: de altaarboeken.

De volksreligie zoals die blijkt uit de Altaarboeken van de familie Chayrghan.

Voor de bestudering van het volksgeloof is het dan ook gelukkig dat rond Troi, gedurende het tweede Keizerrijk, onder de boerenbevolking de gewoonte ontstond om een zogenaamd altaarboek bij te houden met daarin opgetekend de namen van alle goden die door zo'n familie werden aanbeden, de bijbehorende verhalen, namen en omstandigheden van geboorte en verscheiden van clanleden en soms korte aantekeningen over de mededelingen van de goden aan dat gezin.

Enkele van die altaarboeken zijn teruggevonden. Het best bewaardgebleven exemplaar is dat van de familie Chayrghan. Het is vrij compleet, voor zover valt na te gaan. Het bevat het origineel van het Altaarboek van het clanhoofd, en afschriften van de altaarboeken van andere clanleden.

Het blijkt dat zo er in de hoge religie al sprake is van veelgodendom, dit in de volksreligie schier ondenkbare proporties heeft aangenomen. Het is onbegonnen werk een lijst te maken van alle goden: ieder dorp heeft tientallen geheel eigen goden, iedere clan heeft een aardige collectie familiegoden en ieder huis toch wel twee of drie huisgoden. En dan heb ik het nog niet over de voorouders die ook vaak goddelijke eigenschappen worden toegedicht en de beschermgoden van de gilden en de beroepen.

Uit de bronnen blijkt dat het immer een moeilijke taak is om al die goden in vrede met elkaar op één altaar te laten wonen. Bovendien zijn offers en gebeden, het onderhouden van feestdagen en het tonen van eerbied altijd noodzakelijk. goden kunnen er veel voor teruggeven: een god smeken om regen of vruchtbaarheid helpt over het algemeen wel. Soms laat de god zich zelfs zien. Vooral het vragen om een zegening met kinderrijkdom wil nog wel eens een bovennatuurlijke verschijning uitlokken.

Een voorbeeld uit het boek van de familie Chairghan

Het lijkt mij het beste om een typisch geval te nemen als voorbeeld: een familie die ergens in dit gebied woont en haar religieuze gedragingen, ereplaatsen en tradities te beschrijven.

Laat mij U dan voorstellen aan de familie Chairghan. Deze familie is betrekkelijk groot. Ze leven verspreid over een twaalftal dorpen rond Troi. De familie komt oorspronkelijk uit Broi maar woont nu al vele generaties in dit gebied. Het dorp waar de verre voorvader Chair zich als eerste vestigde heette Nenoï'wih. Daar begon hij als pionier met het bewerken van het land. Omdat hij er zo vroeg bij was kreeg hij goed land om te bewerken en hij voer er wel bij.

Langzaam werd zijn familie steeds groter en raakte verspreid over het hele gebied. Het werd een echte clan, niet zo'n grote, maar ook niet zo'n kleine. Na dertien generaties woonden er in de omtrek al zo'n vierhonderd leden van de clan; alles bij elkaar zo'n vijftig gezinnen. Het werd mogelijk om een clan-schooltje te openen waar veelbelovende kinderen konden worden opgeleid om mee te dingen naar een ambtelijke post in de rijksregering.

Nu werd er ook een clan-tempel opgericht, bovendien was de familie Chairghan de belangrijkste van Nenoï'wih geworden en de dorpstempel werd voor meer dan de helft onderhouden door donaties uit de clan-schat. In de clantempel werd het beeld van Voorvader Chair opgezet op de ereplaats: westelijk van Pantoematar. Die werd vanaf nu vereerd als een god.

Als de clan werkelijk rijk is, en dat is deze clan wel, dan betalen ze ook een priester voor in de dorpstempel, en misschien dat een lid van de clan dubbelt als schoolmeester en priester in de clantempel: die is dus uitgesloten van productieve arbeid, maar heeft een belangrijke functie in het familieleven en de opvoeding van de kinderen; bovendien werkt de aanwezigheid van zo iemand zeer statusverhogend.

Na nog vijf generaties woonden er ook afstammelingen van de clan in Troi zelf; een paar mislukkelingen, maar behalve die zwarte schapen had iemand intussen ook het erfelijke ambt van Adjunct-secretaris van de Militaire Gouverneur weten te verwerven. Een bron van trots voor de hele clan. In de toekomst zullen er ongetwijfeld Chairghans in Broi, in de hoofdstad dienen. Dan zullen ze misschien een ere-naam krijgen en zal het clanhoofd ook in Broi gaan wonen.

Maar zover is het nog niet. Nu zijn nog steeds de meeste clan-leden boeren. Ze leven in dorpen die ruwweg in een cirkel rond Nenoï'wih liggen. Laten we ons nader bepalen tot een bepaald gezin; het gezin van Yundiai Chairghan. Hij is getrouwd met Yeála Yiryir, bij wie hij vijf kinderen heeft. De oudste is negen, de jongste ligt nog in de armen van moeder. Bij hem in huis wonen zijn vader van zestig en zijn moeder van vijftig. Zelf zal hij zeggen dat hij bij zijn ouders woont. Zijn ouders vervullen een belangrijke rol iun het gezinbsleven, maar zijn economisch niet meer productief.

Hij is -zoals iedereen in zijn familie en dorp- een gelovig man. In de grote kamer van de boerderij (zie plattegrond) staat een altaar. Voor dat altaar zal hij elke ochtend voor hij naar het veld gaat bidden en offeren; elke avond voor het eten zal hij wat van het avondmaal offeren en danken voor de dag en de maaltijd.

Overdag verzorgt grootmoeder de bloemenoffers die altijd op het altaar staan. Grootvader zit met de andere oude mannen van het dorp bijeen en vertelt verhalen, of hij past op de jonge kinderen en vertelt hen verhalen. De oude mensen hebben door hard werk het recht om niet meer te hoeven werken verdiend. Gelukkig is Yundiai een rijke boer met vrij veel eigen land en kan hij het zich veroorloven om zijn ouders hun rust te gunnen. Als Yeála haar familie niet in staat is haar ouders te onderhouden in rust en eerbied dan zal Yundiai zijn schoonouders ook zeker vragen om bij hem te komen wonen; dan wordt er gewoon een extra kamer aangemetseld.

En dan worden ook de goden van die familie bij de goden van Yundiai's familie op het altaar gezet -vooropgesteld dat die goden geen ruzie met elkaar hebben natuurlijk.

Het altaar is een tafel met een achterwand. Op de tafel staan de beelden of tabletten van de belangrijkste clan-goden, de meest geliefde nationale goden en de specifieke familie-goden die alleen in het gezin van Yundiai vereert worden. In het midden staat altijd een beeld van Pantoematar. In een halve circel zijn de andere beelden eromheen gegroepeerd. Dat is een moeilijk karwei, want sommige goden willen beslist niet naast bepaalde andere goden staan. In het midden van de cirkel beelden en tabletten staan de offers: schaaltjes met bloemen, voedsel en wijn. De beelden zijn vaak versierd met guirlandes van vers groen en bloemen. Wie langs het altaar komt groet het altijd beleefd.

In een lade of kist onder het altaar ligt het boek van deze tak van de familie Chairghan. Daar worden geboortes, sterfgevallen, huwelijken en andere belangrijke gebeurtenissen in opgetekend. In dit gezin doet grootvader dat want die kan lezen en schrijven. Hij geldt zo'n beetje als de wijsgeer en de klerk van het dorp, en uit hoofde van die functie doet hij hetzelfde werkje voor veel andere gezinnen in het dorp, want lang niet iedereen kan lezen en schrijven. In dat boek staan ook de gebeden en lofzangen voor de gezinsgoden.

Op de bijzondere dagen van de gezinsgoden -iedere god heeft zo z'n eigen dagen- wordt aan die god extra aandacht besteed. Een persoonlijk offer, een gebed uit het altaarboek en misschien een nieuwe laklaag voor het beeld of tablet.

Clan-goden, dorpsgoden en favoriete nationale goden worden voor zover hun beelden op het altaar staan ook extra vereerd op hun bijzondere dagen, maar voor de echte feestdagen, bijvoorbeeld de dag dat Voorvader Chair, die vereerd wordt als een god, vertrok naar het Noorden, gaat men naar de clantempel of de dorpstempel voor de grote ceremoniën. Dan wordt er niet gewerkt maar de god wordt geëerd volgens zijn wensen en daarna wordt er gefeest. Dat gebeurt vrij vaak: gemiddeld vier tot vijf keer per maand. Vaste rustdagen kent men overigens niet. Heel zelden, alleen bij werkelijk grote festivals bezoekt met de stadstempel van Troi. Dat zijn grote bedevaarten die met hele dorpen tegelijk worden ondernomen.

Laten we de goden die op het altaar staan wat nader bekijken. In het midden staat natuurlijk Pantoematar. In dit geval is het beter om te zeggen hangt, want het is een clan- traditie om geen beeld van de god te hebben, maar een beschilderd tablet van hout. Dat hangt midden, bovenaan. Pantoematar ziet eruit als een jonge man met gouden ogen in een groen gewaad. Anderen beelden hem af als een oude man met een lange baard. De stand van zijn handen is ook symbolisch: de open hand geeft zegen, de hand op de borst symboliseert vertrouwen. De hoed die hij draagt is een afbeelding van Andal. De vijf tekens om hem heen symboliseren de vijf Grote goden, Andal, haar vader en moeder, haar minnaar en Bi Arjah, de god van het kwaad. Pantoematar is de belangrijkste godheid van Charia. Hij staat vooral bekend als een vredelievende wijsgeer en een vader van het hele land.

De feestdag van Pantoematar valt ieder jaar bij het begin van de zomer. Het is een feestdag die door de clan als geheel wordt gevierd in de clan-tempel, of bij het altaar van het clan- hoofd. Eerst offert men voor het eigen tablet, en dan gaat de hele familie naar de clan-tempel.

Er wordt 's ochtends geofferd, 's middags onderwezen en 's avonds gefeest. De offers die bij Pantoematar bijzonder in de smaak vallen zijn geurige kruiden en zaden, bloemen en veren en sterke thee. Alles is dan volop aanwezig en Pantoematar geniet van de overvloed. Bloemen appeleren aan zijn gevoel voor schoonheid. De veren dienen de veren te zijn die de kinderen in de loop van het jaar hebben gekregen als beloning voor goed gedrag en goede daden. Wie de meeste veren in een bosje bijeen kan binden heeft die dag het recht om voor te lezen uit de lessen uit het altaarboek over Pantoematar en mag 's avonds het vuur aansteken. De sterke thee appelleert aan Pantoematar omdat het de helderheid van de geest bevorderd.

Tijdens het offeren wordt het oorsprongslied gezongen en één van de lofzangen op Pantoematar. 's Middags leest men uit de Lessen die in het Altaarboek staan. De priester of de clan-oudste legt dan de betekenis van de lessen uit. Vragen mogen best gesteld worden.

Bij het vallen van het duister steekt het Kind van Pantoematar het vuur op de voorplaats aan met het vuur dat voor het altaar in huis brandt en iedereen schaart zicht rond het vuur. De maaltijd wordt geopend door de clan-oudste. De rest van de avond wordt er gezongen, gedronken en gedanst.


Back to the contents

Optimized for Lynx.

© Copyright 1998 Boudewijn Rempt.