Andal - Emperors' Mourning Song

Andal - Lied van de Keizer

Matrai
O Grote Keizer, uit de Gouden Hemel geboren, luistert:
Ik ben geboren op de twaalfde dag van de eerste maand
Het voorjaarsfeest was in volle gang.
Ik ben geheten Milakke van Yernenna
Mijn ouders waren wijs in de goden.
Mijn wicheling was het Zeepaard in de Amandelboom,
Mijn vak was dus shamanka des keizers.
O Grote Keizer, uit het Glanzende Paradijs geboren, gij kent me nu!
Ik ben betrouwbaar, weet ge nu
Ik ben Uw dienares, weet ge nu
Daar kunt ge van op aan, Donderoog Vuurwoord!
O Grote Keizer, uit het Verre Rijk geboren, luister dan naar mij!
Ik smeek U: kom terug
Want waar ge heen wilt, kunt ge niet komen
Ik bid U: blijf niet langer weg!
Want waar ge heen wilt, daar hoort ge niet
O Grote Keizer, geboren uit de Hoogreikende Zilverstam, hoort!
Zoudt ge zuid willen gaan:
Dat is niet verstandig
In het zuiden is het niet pluis:
Daar heerst de Keizer der Gouden Goden
Zijn land is onmeetbaar breed, onmeetbaar lang
De God van de wind zag nimmer het einde ervan
Zijn volk hoort er thuis
Maar gij zoudt er toch verdwalen.
Daar brandt de zon immer vol vuur
IJzer smelt daar, granen verteren, water verdampt
Daar schroeit de Vader immer vol wrok
De mensen daar kunnen ertegen,
Maar gij zoudt er verschrompelen en verbranden.
Daar huizen gruwelijke monsters, ongekend
Daar leeft de twintigkoppige draak, leeg van honger
Daar huist de grote schildpad, met scherpe kaken
Daar is de machtige lamekke, met bolle ogen
Die zouden U zo op willen eten!
Het zuiden is geen plaats voor U,
Kom liever terug, kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren in het nergensdaar, sluit uw oren niet!
Misschien trekt het noorden U
maar dat is toch niets voor U
In het noorden is geen plaats voor U
Daar wonen de witte wilden van het ijs
Hun land is koud en onherbergzaam
Granen noch vruchten willen er groeien
Zij eten alleen vissebloed
Maar dat is toch geen kost voor een Keizer!
Daar ligt ijs tot aan de hemel
Iedere dag sneeuwt het daar machtig
Iedere dag blaast daar de god van de wind
Geen dag is daar de zon of de maan te zien
Zoudt ge daar niet sterven van de kou!
Daar huizen wezens van de kou, uitgehongerd
Daar worden ieder moment de jongen van Panamke gebaard
Op die plaats zijn de geesten van het Noordelijke Leger
Hier graven warme vleeswormen door de grond
En allemaal willen ze U opvreten!
Het noorden is geen plaats voor U,
Kom liever terug, kom dan terug.
O Grote Keizer, geboren uit de morgenstond, schenk uw aandacht!
Is het westen uw bestemming?
Aya! Dat zou een ramp zijn, niet minder!
Het westen is vol bitterheid.
Daar heersen de Meesters van de Bergen
Hun land is grauw en hard
Slechts edelstenen en metalen groeien daar
Zij eten alleen mensenvlees;
Daar bent U te humaan voor.
Daar reiken de bergen tot aan de maan
Rivieren van zand stromen door het land
Daarachter is slechts woestijn
De wind geselt alles zonder genade
Daar zijn geen tuinen om uw gemoed te behagen!
Daar huizen de kinderen van de rots, hard en koud
Op de Kinamya wonen de Gruwelijke Twee, krijsend
In de bergen wonen stenen tijgers, reuzegroot
Over de woestijn zweven paarse draken, bloedbelust
En geen heeft er eerbied voor U, goddelijke Keizer.
Het westen is geen plaats voor U,
Kom liever terug, kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren in de Goede Vlakte, open uw oor!
Ligt het oosten dan op uw pad?
Maar dat moge niet waar zijn, oh nee!
In het oosten is geen geluk te vinden.
Daar leven de monsters die zich in vuil wentelen,
Hun land is zwartgeblakerd en stinkt
Wat daar groeit is alles rot en vergaan
Zij leven van smerigheid en bederf
Bezoedel Uzelf niet aan die troep!
Daar vult de hemel zich met grauwe damp
Vogels sterven daar, vissen kruipen op het land
Magere gebouwen houden de wind tegen
Meren en rivieren klotsen traag tegen hun oevers
Nergens zoudt ge er kunnen baden!
Daar leeft het gebroed van Lossotod
Eèn is er zwart en vreet braaksel
Eèn is er geel en drinkt bloed
Eèn is er blauw en zuigt zwarte rook
En allen houden van dingen, niet van U
Het oosten is geen plaats voor U,
Kom liever terug, kom dan terug!
Luister en kom terug naar je paleis!
Kom dan terug naar je volk!
Kom dan terug naar je land!
Kom dan terug naar je onderdanen!
Ja! Kom terug! Ja! Kom terug! Ja! Kom terug!
Aya! Aya! Ayaya!
Je paleis is ruim en wel bemeten
Zalen heeft het zonder tal, gangen zonder einde
Parken en binnenplaatsen gescheiden door galerijen
Gangen en hallen verbinden hoge vertrekken
Van voorhof tot keukens is het een jaar lopen
Van oosthof tot westhof is het een maand gaan
Pilaren met goud beslagen stutten gekerfde balken
Waaraan gordijnen en tapijten rijkbestikt hangen
Zachte zetels staan langs alle dikke muren
Bedekt met kussens zijn mozaÔeken van zandsteen
Aan alle wanden hangen krijgshaftige wapens
En deuren steunen zwaar in ijzeren hengsels
Bij iedere deur houden vier potige kerels de wacht
En zes dartele meisjes verwelkomen eenieder
Kostbare harnassen dragen uw machtige soldaten
Fijne zijde siert de buik van uw nimfen
Uw schatkamers zijn zonder tal en rijk gevuld
Glanzend goud en zilver, kostbare zwaarden,
Lange speren, zware halskettingen en spangen
Gedreven drinkkommen en borden, grote schilden
Hoogreikende helmen, kostbare gewaden en riemen
Heilige drievoeten en offervaten, vlijmscherpe dolken
Dubbele bijlen, fijngeurende wierook en gjivat
Kunstige ringen en insignia, zegels van autoriteit
Niets ontbreekt in uw bezit; alles is uwer!
Luister en kom terug naar je paleis!
Kom dan terug naar je volk!
Kom dan terug naar je land!
Kom dan terug naar je onderdanen!
Kom terug, kom terug, kom terug, kom terug!
De dagen in uw paleis zijn aangenaam en vol van vreugd
De uren verglijden er zonder verveling of ongenoegen:
Bij het uur van het ontwaken klinkt vrolijke muziek
Dartele meisjes plukken snaren, blazen fluiten
Dansen vol van eerbied in uw nachtvertrekken;
Zingen van uw heerlijkheid en van de goden,
U hoeft maar te wijzen en onmiddellijk gehoorzamen zij.
Allen zijn bekwamer dan beroemde vrouwen uit de oudheid,
Geen is er lelijk of onhandig, geen is er vuil of stinkt,
Maar elk geurt naar verse lentebloemen en glanst van leven.
Gazen gewaden zwieren op de maat, ze dansen zonder ophouden
Tot na het rivierenspel het uur van het opstaan is gekomen.
Dan klinken trom en gong; een gouden bekken vol van bloemenwater
Wordt aangedragen door zes machtige slaven, dik gespierd.
Vijftien armlengtes rond, vijf scheenlengtes diep is uw bad.
Gebaad door bekwame meisjes, geschrobd door sterke baadsters,
Dan rijst U op als een Zeegod uit het geurige water,
Met parfums en kostbare oliŽn wrijven zij u in,
Zachte zalven worden niet gespaard, noch pommades uit verre landen.
Een linnen kleed word U omgord met een gouden spang om uw middel,
Daarover een brokaten gewaad zwaar van gouddraad en edelstenen.
Een hoofdtooi drie handen hoog, vermiljoen, geel en grasgroen
Armbanden, halssnoeren en ringen sieren uw lichaam van buiten,
Uw innerlijke wijsheid verwoordend in gouden zinsneden.
Het uur van het ontbijt is gekomen, de muziek wervelt om U heen,
Met statig gevolg schrijdt U naar de ruime zaal,
Daar wachten koks zonder tal U op met schotels in hun hand
Alle gerechten zijn fijner dan het fijnste voedsel ter wereld
Duizend maal duizend bekwame koks wachten u op met hun kunst.
Geuren van vlees en van vis, warme groente en koele vruchten,
Geelwitte wijnen en melk van zestien dieren des velds en honingdrank,
In overvloed staan ze gereed voor U, O Nergensdaargeborene
In smaak steken ze de dranken uit het Gouden Rijk naar de kroon!
Talloze dienaren staan gereed om met U het brood te delen,
Nooit heeft er iemand honger in Uw paleis!
Dan breekt de dageraad aan, rozengoud zonnelicht vult Uw paleis.
Begeleid door prachtige muziek, plechtig en wijs,
Zwaaien de deuren van de Zaal van Paunmar en Funmar open.
Daar zitten twaalf wijsgeren,
grijs van baard, blauw van kleed.
Hun kennis omspant de grote oceaan,
Reikt verder dan de grens van het bestaan.
Zij kennen talen uit voorbije eeuwen,
Weten van de woorden van de wijdblazende Wind.
Diepzinnige gedachten klinken uit hun mond,
Hun ogen vertellen iedere wenk een wijsheid.
Zij zijn daar, en dienen U, Oh Goddelijke Keizer,
Hun wijsheid is de Uwe, en de Uwe is nog groter.
O Boreling van de Alwetende Paradijsvorst.
Weer slaat de gong, muziek springt op en wordt plechtig.
De tromtoren slaat zwaar en donderend!
Rechtspreken is de aard van het uur dat komt.
Uw woord is wet, geen die er tegenin gaat.
Begeleid door machtige slaven, breedgespierd
Beulen zonder tal, rakkers onnoembaar,
Gaat de stoet zwaar marcherend naar de Grote Hal.
Daar liggen de misdadigers, zie ze beven!
Uw volk vraagt om recht: zij kunnen niet zonder.
Met adelaarsblik doorziet U schering en inslag,
Stelt zonder aarzelen schuld en onschuld vast.
Bedrogene gaat hersteld heen, bedrieger verliest het hoofd.
Bestolene krijgt vergoed wat de dief hem ontstal.
Zo is de aard van het recht; oog om oog, tand om tand.
Uw besluit is immer juist: altijd rechtvaardig uw woord.
Donderoog Vuurwoord; wij smeken om uw wet.
De tromtoren dondert: de ganse wereld beeft!
De muziek is vol van pracht; toonbeeld van uw grootheid
Statig klinkt de Kaham-steen, schril pijpt het Kirim-riet
Uw oog is nu gericht op van ver gekomen gezanten,
Uw oor ligt nu te luisteren bij hun mond,
Uw wijze oordeel is nu gereed voor de vergekomenen.
Een voor een treden zij aan, rijk beladen met geschenken,
Buigen voor uw opperheerschappij, erkennen uw trots,
Zij smeken U om raad en wijze woorden!
Zonder U vergaat de wereld in chaos en ellende.
Laat de kleurige godenkinderen van onder het hemeldak
Toch niet smachten naar Uw onfeilbaar oordeel.
O Hoogreikende Zilverstam; zij smeken om uw heerschappij!
Nu verstomt de muziek; geen gong slaat er.
Dan: charum! Ramshoorns schallen, breken door de stilte.
De zon staat op zijn hoogst: Uw verwekker groet zijn zoon.
Eerbiedig wordt er een middagmaal geofferd,
Tallozen zitten aan de dis; U aan het hoofd!
Fijn gebraad uit alle windstreken; met spek omwonden,
Gouden wijnen uit zonnige gaarden; lang gerijpt,
Schotels beladen met vers brood en fris fruit,
Trekken langs de tafels; er is genoeg voor iedereen!
Op Uw teken, Oh Overvloedige Gever, begint de maaltijd.
Zonder dat komen wij allen om van honger.
Na het offer aan de Zon, glorieuze vader
Staan de paarden te trappelen op het voorplein
Twaalfhonderd edelen, uitgelezen en dapper
Wachten in de jachtstoet met boog en speer bewapend
De valken cirkelen in de lucht; de haviken zetelen op Uw schouder
Dan rijdt U uit! Het hoefgetrappel verstomt het roepen van de kooplui
Als Uw stoet voorbijrijdt in grootse glorie
De heuvels zijn rijk aan wild, de velden aan vogels
ReeŽn en zwijnen spietst ge trefzeker neer; twee of drie aan èèn speer
Muxanne-vogels en purdan's schiet U uit de lucht; iedere pijl is raak
Emoes, olifanten, leeuwen en tijgers vallen voor Uw gevolg
Beren, lynxen, knighdra's en watermonsters liggen dood neer.
De jacht is rijk, de lucht is helder;
Vol van levenskracht en rijk aan buit keert de stoet terug
Bij het paleis staan de koks uitgelaten te wachten
Wachtend op uw wensen voor de avondmaaltijd.
Dan klinken de noten van de Kaham-steen weer.
Uw paarden worden weggeleid; de edelen gaan naar hun hoven
Een tobbe vol kostelijk bloesemwater wordt aangedragen
Vierentwintig maagden in wit gaas gekleed dragen kruiden en zeep
Stof en zweet van de jacht wassen zij af;
Met olie verfrissen en verzachten zij uw lichaam.
Een gewaad van zware dubat, goudbestikt, trekken zij u aan.
De wijsgerige ministers van het rijk vormen uw wijs gevolg,
Ze gaan u voor naar de Rode Zaal, de zaal van uw troon!
Aan de voet van de treden die omhoog leiden zitten zij neer
En luisteren naar uw wijze instructies over het reilen van het land.
Alle problemen worden oplost, steden gesticht, kanalen gegraven.
Uw legerscharen ontvangen bevelen tot verovering van nieuwe landen
Uw dichters opdracht tot dichten, schilders tot schilderen
Scherp inzicht, heldere besluiten en wijsgerig voorbeeld
Strekken U tot eer; de wegen der ouderen verliet ge nimmer
Bewandel weer die rechte paden, Uw rijk raakt verstrooid zonder U!
O Keizer! Keer terug naar Uw paleis!
Het avondmaal staat dampend te wachten op U
In overvloed strelen de spijzen alle smaken
De jachtbuit staat gereed op de schragen
Bedekt met rijke saus, omringd door vers fruit
Wijnen, dieprood, zwart en ambergeel
Vloeien in gouden hoorns, kristallen bekers
Rustige muziek klinkt op het terras,
De slangedans, de wolkendans, de rivierendans
De beste meisjes uit het binnenhof zwieren op de maat
Grote broden van het fijnste graan,
Warm uit de oven, druipend van honing.
Aan het hoofd van de tafel staat Uw bloementroon
Leeg te wachten op U! Kom terug en neem plaats!
Dan wacht de avond op U!
Met offers neem U afscheid van Uw goudstralende vader;
Aan uw moeder brengen de priesters Uw eerbiedige groeten over.
Witte lotusbloemen, net uit de knop, zachtgeurend
Rijstmeelkoeken met zoete vulling; geurige wierook
dat stelt haar zeer tevreden!
De avond is vol van feest en gejuich:
Met muziek, dans en dobbelspel vliegen de uren heen;
Zwaardgevechten en het polsenspel, zo vermakelijk.
De heerlijke meisjes zijn wijn-dronken, gezichtjes blozend
Hun ogen sprankelen van genoegen en tere liefde.
Fakkels en kaarsen overal verlichten uw schoon paleis;
Een zee van licht gaat op tot de hemel!
In het verre zuiden is dat nog te zien;
Een baken voor uw terugkeer!
In het koude noorden is dat nog te zien;
Een baken voor uw terugkeer!
In het zwarte oosten is dat nog te zien;
Een baken voor uw terugkeer!
In het gruwelijke westen is dat nog te zien;
Een baken voor uw terugkeer!
O Grote Keizer, uit de Gouden Hemel geboren, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, uit het Glanzende Paradijs geboren, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug! O Grote Keizer, uit het Verre Rijk geboren, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, donderoog Vuurwoord, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren uit de Hoogrijkende Zilverstam, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren in het nergensdaar, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren uit de morgenstond, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, geboren in de Goede Vlakte, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, nergensdaargeborene, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug!
O Grote Keizer, boreling van de Alwetende Paradijsvorst, kom dan terug!
Kom dan terug! Kom dan terug! Kom dan terug!


Back to the contents

Next chapter

Optimized for Lynx.

© Copyright 1998 Boudewijn Rempt.