Andal - Song of the Lord of the Wind

Andal - Lied van de God van de Wind

Matrai
O God van de Wind! God van de Wind!
O God van de zuiderwind!
O God van de noorderwind!
O God van de westerwind!
O God van de oosterwind!
Uw dienares roept U! Zij roept U!
Zij is waarlijk vol van vrees-
Zij is waarlijk vol van ontzag-
Zij is waarlijk vol van liefde-
Zij is waarlijk vol van lof.
Deze dienares roept U! Ik roep U!
Opdat ge laat weten waar ge zijt-
Opdat zij weet waar U verblijft-
Opdat ze U kan bezoeken-
Opdat ze haar lof kan brengen.
Bezie Uw dienares die schoon is, haar lichaam offert ze U!
Geurig van reukwerken-
Glanzig van oliŽn-
Ampel van vormen-
Wit van tanden.
Zij komt U offers brengen, van de Goddelijke Keizer
Uw trouwe vazal is hij-
Niet gierig voor U is hij-
Vol van moed is hij-
Geen moment eert hij U niet.
Neem Uw dienares in Uw huis, laat haar door Uw poort.
Vele nachten vastte zij-
Vele dagen bad zij-
Kruiden nog wijnen dronk zij-
Uit eerbied voor Uw reinheid.
Hebt medelijden met Uw dienares, de onnozele
Ze heeft geen misdaden begaan-
Zend Uw misnoegen toch een ander-
Ze was onschuldig aan de daden der mensen-
Sliep zij immers niet de gehele maand alleen?
Ze dient U met haar lichaam en haar moed
Recht zijn haar armen
Gewelfd is haar buik
Sterk zijn haar dijen
Zwart zijn haar haren
Dat moet U toch wel bevallen, God van de Wind!
Neem Uw dienares in Uw huis, laat haar door Uw poort.
Leen haar Uw wijze raad en wees niet kwaad!
Op de eerste nacht van de eerste maand
Sliep ik alleen: geen man deelde mijn leger
Op de eerste dag van de eerste maand
At ik slechts vruchten: geen vlees beroerde mijn lippen
Op de tweede nacht van de eerste maand
Sliep ik alleen: met geen man had ik verkeer
Op de tweede dag van de eerste maand
Dronk ik slechts water: geen wijn bevochtigde mijn tong
De dertig nachten van de eerste maand
Hield ik mijn poort gesloten voor eenieder
De dertig nachten van de eerste maand
Hield ik de vrede met de dieren van veld en water
De dertig nachten van de eerste maand
Bleef mijn hoofd helder en mijn geest zuiver
Zo diende ik mijn God, Heer van de Wind
God van de zuiderwind!
God van de noorderwind!
God van de westerwind!
God van de oosterwind!
Op de laatste nacht van de eerste maand
-het uur was gekomen, de koude wind stond gunstig
Op de heilige nacht van de God van de Wind
-brandde ik gezegende kruiden in Zijn Urn
Op de afgesproken nacht van de Heer van de Storm
-maakte ik mij klaar om hem te bezoeken
Kruiden van het veld- zelf geplukt!- brandde ik
De damp steeg me naar het hoofd: zo licht!
Zachte sandalen van wol -zelf geschoren- deed ik om mijn voeten
-schoon gewassen in de morgendauw
Een rood gewaad sloeg ik om mijn lendenen
Een gouden sieraad klemde het vast op mijn heupen
Mijn borsten verfde ik oker- mijn lippen purperrood
Ik deed gouden spangen in mijn haar
En trok lijnen fijn als vlindervleugels boven mijn ogen
Dat zou hij vast wel mooi vinden!
Daar houdt de God van de Wind van!
Zo maakte ik mij mooi voor hem die mijn geliefde zou worden-
met lippenzalf en oogkrijt, met geurige olie en okerpoeder
Ik opende de kruik- wijn zat erin!
Rode wijn, gerijpt in de zuidenwind
Twee bekers schonk ik vol:
Eèn voor Hem en èèn voor mij.
Ik maakte een schotel van graan en vruchten:
Op twee bladen van de manyi legde ik onze porties,
Het was goed gekruid en rijk aan smaak.
Zo deden wij aan ons maal: genoeg was er zeker wel.
Toen stond ik op en opende de deur.
Ik had gedacht ver te zullen reizen,
Maar buiten waaide mijn heer, mijn geliefde.
Ik gaf me aan hem, zonder schaamte, zonder nadenken.
Wild speelde hij met mijn kleed,
Tot hij het opnam en wegwierp:
Heel ver, want hij is sterk hoor!
Toen streelde hij mijn benen met zachte vingers-
Streelde mijn armen met tere gebaren-
Woelde woest door mijn zwarte haren-
Kuste mijn borsten met zijn volle lippen-
Nam me bij mijn buik, hield me -spelend!- in de lucht!
Heel hoog, want hij is sterk hoor!
Hij legde me plat op het veld voor de deur-
En ik voelde zijn gewicht me neerdrukken Zijn kracht is ongeŽvenaard!
Hij rook naar verre landen, naar de geuren van de wereld.
Hij komt overal, mijn geliefde!
Maar snel -zo snel!- was het voorbij
En hij ging verder- trouw is hij nooit.
Fluitend en zingend ging hij met dageraad
Gekleed in de mist uit het moeras
Zuid en noord, oost en west- het is hem om het even
Maar hier blijven zal hij nooit
Mijn Heer is heer van de Wind en van mij,
En zijn dienares zal ik wel blijven
Al zie ik hem niet meer tot het volgend jaar
Dan komt hij weer, als ik niet al te oud ben
Maar hij vertelde mij wat de Goddelijke Keizer weten wilde:
Ook dit jaar is de oogst niet slecht.
Als de Goddelijke Keizer ook de seizoenen acht,
Zal Mijn Heer hen laten lopen zoals dat hoort.


Back to the contents

Next chapter

Optimized for Lynx.

© Copyright 1998 Boudewijn Rempt.